Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO6190
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-04-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een verhuiskostenvergoeding, op de grond dat hij zonder toestemming van de gemeente is verhuisd en dat de verhuizing heeft plaatsgevonden van een niet-aangepaste woning naar een andere niet-aangepaste woning.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/3146 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is mr. H. Groen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Breda onder dagtekening 17 februari 1997 tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende ongegrondverklaring van appellants beroep tegen het besluit van gedaagde van 19 december 1995 (het bestreden besluit).

Gedaagde heeft op 19 september 1997 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 februari 1997, waar namens appellant is verschenen mr. Groen, voornoemd, als zijn gemachtigde, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.L. Verbeek-Dukers, werkzaam bij de gemeente Oosterhout. Tevens is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen [getuige], eveneens werkzaam bij de gemeente Oosterhout.




II. MOTIVERING


Appellant, die een ernstige neurologische aandoening heeft, is tot 22 april 1995 woonachtig geweest in een huurwoning te Oosterhout en vanaf die datum in een huurwoning te Schiedam.

Appellant heeft zich in januari 1995 tot gedaagde gewend terzake van -voor zover te dezen van belang- een woonvoorziening in het kader van de op de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) gebaseerde Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Oosterhout 1994 (nader te noemen de Verordening). Op een door appellant ondertekend formulier, gedagtekend 18 januari 1995, is vermeld dat deze aanvraag zowel een vergoeding van de kosten van woningaanpassing als een verhuiskostenvergoeding betrof.

Op 21 maart 1995 is naar aanleiding van appellants aanvraag een rapport uitgebracht door een arts van Zorgvoorzieningen Nederland (ZVN), in welk rapport is aangegeven aan welke eisen appellants woning (in Oosterhout) dient te voldoen, zulks onder aantekening dat appellant bij nader inzien wenst te verhuizen naar Schiedam. Op basis van die omschrijving van eisen is door een adviseur van de gemeente Oosterhout een raming gemaakt van de kosten die aanpassing van zijn toenmalige woning met zich mee zouden brengen. Deze raming beliep een bedrag van f 19.942,61.

Op 23 maart 1995 heeft de echtgenote van appellant in een telefoongesprek met [getuige] van het bureau Volkshuisvesting van de gemeente Oosterhout laten weten dat aan appellant een huurwoning in Schiedam is toegewezen. Dit telefoongesprek, over de inhoud waarvan de lezingen van partijen overigens aanmerkelijk verschillen, is aanleiding geweest om appellants aanvraag om een woonvoorziening buiten behandeling te laten, hetgeen in een brief van 10 april 1995, onder vermelding van de mogelijkheid om bij de gemeente Schiedam een aanvraag in te dienen, aan appellant is meegedeeld. Het advies van ZVN is doorgestuurd aan de instelling welke voor de gemeente Schiedam de besluiten in het kader van de Wvg voorbereidt (de ROG in Maassluis). De voor appellants nieuwe woning vereiste aanpassingen zijn door het gemeentebestuur van Schiedam in het kader van de Wvg bekostigd en zijn grotendeels reeds vr appellants verhuizing naar Schiedam in de desbetreffende woning aangebracht.

Naar aanleiding van nader telefonisch contact tussen appellants echtgenote en [getuige], voornoemd, heeft gedaagde bij besluit van 31 mei 1995 geweigerd om appellant een verhuiskostenvergoeding toe te kennen op twee gronden namelijk ten eerste dat hij zonder toestemming van gedaagde is verhuisd en ten tweede dat de verhuizing heeft plaatsgevonden van een niet aangepaste woning naar een andere niet aangepaste woning.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde, in afwijking van het advies van de Adviescommissie voor de bezwaarschriften, de tegen het besluit van 31 mei 1995 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Gedaagde heeft in zijn motivering van het bestreden besluit gewezen op artikel 2.19, tweede lid, van de Verordening, inhoudende (onder meer) dat slechts een verhuiskostenvergoeding wordt toegekend indien de verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij gedaagde daarvoor schriftelijke toestemming heeft verleend. Nu pas op 31 mei 1995, derhalve na de verhuizing, een beschikking op de aanvraag is genomen en voorts tevoren geen toestemming is verleend of geacht kan worden te zijn verleend, staat voormelde bepaling in gedaagdes ogen aan toekenning van een verhuiskostenvergoeding in de weg. Verder heeft gedaagde overwogen dat uit informatie van de ROG, voornoemd, is gebleken dat de kosten van aanpassing van de woning in Schiedam f 20.079,38 hebben bedragen, hetgeen nagenoeg hetzelfde bedrag is als de begrote aanpassingskosten van de woning in Oosterhout. Derhalve concludeert gedaagde dat appellant is verhuisd van een niet adequate woning naar een andere niet adequate woning, hetgeen aan toekenning van een verhuiskostenvergoeding in de weg staat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Dit oordeel van de rechtbank berust met name op de overweging dat gedaagde, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 2.19, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening geen andere beslissing kon nemen dan de verzochte verhuiskostenvergoeding te weigeren, terwijl er naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake is van omstandigheden op grond waarvan gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren op dit punt toepassing te geven aan de hardheidsclausule van de Verordening.

In hoger beroep heeft appellant - samengevat - doen stellen dat hij al op 23 maart 1995 telefonisch op de hoogte gesteld is van de weigering van een verhuiskostenvergoeding, zodat er geen sprake is van de in voormeld onderdeel van artikel 2.19 van de Verordening bedoelde situatie. Voorts verwijt appellant gedaagde met name dat hij er, ook toen de toewijzing van een woning door de gemeente Schiedam bij de behandelend ambtenaar van gedaagdes gemeente bekend was, nimmer op geattendeerd is dat schriftelijke toestemming om te verhuizen vereist was.

In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt daaromtrent als volgt.

De Raad laat in het midden of de omstandigheden van dit geval voor gedaagde aanleiding hadden moeten vormen om - eventueel onder toepassing van de hardheidsclausule- te verontschuldigen dat appellant is verhuisd voordat op de aanvraag om verhuiskostenvergoeding is beschikt en zonder toestemming van gedaagde. De Raad is namelijk van oordeel dat in ieder geval de tweede door gedaagde gehanteerde grond voor de weigering om een verhuiskostenvergoeding toe te kennen, houdbaar is.

Bedoelde weigeringsgrond berust op de opvatting dat de omstandigheid, dat wordt verhuisd naar een woning die in gelijke mate aanpassing aan de beperkingen van betrokkene behoeft als de woning die wordt verlaten, aan het toekennen van een verhuiskostenvergoeding in de weg staat. De Raad acht dat standpunt in beginsel in overeenstemming met het, in artikel 1.2 van de Verordening neergelegde, vereiste dat een voorziening slechts kan worden toegekend als deze (langdurig) noodzakelijk is om de beperkingen van een gehandicapte op het gebied van wonen op te heffen of te verminderen. In een dergelijk geval draagt de verhuizing op zichzelf immers niet bij aan het opheffen of verminderen van bedoelde beperkingen.

Op basis van de voorhanden gegevens stelt de Raad vast dat appellant is verhuisd naar een woning in Schiedam, welke voor nagenoeg hetzelfde bedrag moest worden aangepast als de kosten die aanpassing van de woning in Oosterhout met zich mee zou hebben gebracht. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de juistheid van het door gedaagde in aanmerking genomen bedrag van f 20.079,38 als kosten van de aanpassing van de woning in Schiedam, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat de kostenraming van f 19.942,61 betreffende de woning in Oosterhout onjuist of onvolledig is geweest. De zijdens appellant in de procedure in eerste aanleg geponeerde stelling dat in de woning in Oosterhout, in tegenstelling tot de woning in Schiedam, twee trapliften nodig zouden zijn, vindt in de overige gedingstukken geen steun en is voorts onvoldoende onderbouwd om deze te kunnen overnemen.

De Raad overweegt voorts dat hij geen omstandigheden ziet die tot afwijking van het eerderomschreven, uit voormelde bepaling van de Verordening voortvloeiende, uitgangspunt zouden kunnen nopen. Hij verwerpt in dat verband de stelling van appellant dat de verhuurder van de woning in Oosterhout niet bereid was om toestemming te geven voor aanpassing van de woning. Deze stelling is niet met enig bewijsstuk gestaafd en is te minder aannemelijk te achten, nu de getuige [getuige] ter zitting van de Raad heeft verklaard dat hem verschillende gevallen bekend zijn waarin dezelfde verhuurder wel bereid was medewerking te verlenen aan woningaanpassingen ten behoeve van gehandicapten. Voor het overige ontbreken aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat zich op enigerlei wijze een (medische) noodzaak voordeed om uit Oosterhout te vertrekken en in Schiedam een aangepaste woning te betrekken.

De Raad is mitsdien van oordeel dat gedaagde in dit geval terecht de omstandigheid dat appellant is verhuisd van een niet aangepaste naar een andere niet aangepaste woning ten grondslag heeft gelegd aan zijn weigering om een verhuiskostenvergoeding toe te kennen.

De Raad concludeert dan ook, zij het op andere gronden dan de rechtbank, dat het bestreden besluit de eerder omschreven rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom moet als volgt worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van B.A. Beenen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 april 1998.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) B.A. Beenen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x