Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AO9080
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening. Belangenafweging is niet aan de orde omdat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde dat hij wegens aantoonbare medische beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Redelijkheidstoets.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3139 WVG en 02/3140 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij primair besluit van 1 augustus 2001 heeft gedaagde, in het spoor van het advies van de medisch adviseur van het RIO J.C.H. Doeleman-van Iterson, de aanvraag van appellant om een vervoersvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) afgewezen.

Bij het bestreden besluit van 18 april 2002 heeft gedaagde, overeenkomstig het advies van E.W.M.A. Ausems, arbeidsmedisch adviseur bij de Roessingh Diensten Groep (RDG), het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak van 30 mei 2002, reg.nrs. 02/253 en 02/355 WVG en 02/354 en 02/356 WVG, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) - voorzover hier van belang - het beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld op de in het (aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 februari 2004. Appellant is in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Kunst, werkzaam bij de gemeente Enschede.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de feiten en de toepasselijke regelgeving in het kader van de Wvg verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Van de toepasselijke regelgeving wordt hier in het bijzonder vermeld artikel 3.2, eerste lid, van de door de raad van de gemeente Enschede vastgestelde Verordening voorzieningen gehandicapten (Verordening). Ingevolge die bepaling kan een vervoersvoorziening worden toegekend, indien de betrokkene - kort gezegd - wegens aantoonbare medische beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

In het bestreden besluit heeft gedaagde zich aangesloten bij het door de betrokken Commissie voor bezwaar en beroep uitgebrachte advies. Daarin is onder meer overwogen:
"De Commissie is niet gebleken dat de medische adviezen van het Rio en de RDG op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. (...) Nu uit twee onafhankelijk van elkaar tot stand gekomen medische adviezen blijkt dat de heer Aust in redelijkheid in een rustig tempo een afstand van 800 meter te voet kan afleggen, is de Commissie van oordeel dat het College terecht heeft besloten de heer Aust niet in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening omdat hij niet voldoet aan het gestelde in artikel 3.2 lid 1 van de Verordening voorzieningen gehandicapten. (...) dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Op grond van het feit dat de heer Aust in staat wordt geacht om 800 meter te lopen kan hij gebruik maken van het openbaar vervoer en het ook bereiken."

Naar in de aangevallen uitspraak ligt besloten, is de rechtbank ervan uitgegaan dat de bij een medisch onderzoek door een in het kader van artikel 7 van de Wvg vanwege het gemeentebestuur aangewezen deskundige te betrachten zorgvuldigheid in beginsel niet zover gaat, dat altijd een lichamelijk onderzoek moet worden verricht. Mede tegen die achtergrond heeft de rechtbank in het onderhavige geval de door de arts van het RIO en de arbeidsmedisch adviseur van RDG uitgebrachte adviezen toereikend geacht om de slotsom van gedaagde te onderschrijven dat appellant van het openbaar vervoer gebruik kan maken en derhalve niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening. Daartoe is overwogen dat de medisch adviseur van RDG het - onder meer op eigen waarneming gebaseerde - advies van de geneeskundige van het RIO heeft getoetst aan de verkregen nadere informatie van de behandelend cardioloog. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat gedaagde "in redelijkheid" heeft kunnen besluiten zoals hij heeft gedaan.

De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de beslissing van de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beroep niet in stand kan blijven.

Blijvend binnen het toetsingskader van de Wvg en de Verordening is, gelet op de medische gegevens, ook naar het oordeel van de Raad niet gebleken dat appellant niet in staat is om bij de deelname aan het leven van alledag in zijn directe omgeving als bedoeld in artikel 2 van de Wvg te voet, per openbaar vervoer en/of per (snor)fiets afstanden van betekenis te overbruggen. Toekenning van de aangevraagde vervoersvoorziening stuit derhalve af op artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening. In dit verband kent de Raad, evenals de rechtbank en gedaagde, beslissend gewicht toe aan de vrijwel eensluidende bevindingen van de door gedaagde geraadpleegde, ter zake van voorzieningen en verstrekkingen gespecialiseerde, medische deskundigen. De enkele subjectieve beleving van appellant doet daar, gelet op het toepasselijke - objectieve - toetsingskader, niet aan af.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij de vervoersvoorziening nodig heeft om alcoholisten te bezoeken en steun te verlenen, alsmede dat hij - als ex-verslaafde - daar in de eerste plaats zelf kracht uit put om "door te gaan met droog te blijven staan".

Naar aanleiding daarvan stelt de Raad (gelet op wat hierboven ten aanzien van appellants mobiliteit is overwogen: ten overvloede) vast dat bij deze - op zich zelf te waarderen - activiteit, naar appellant ter zitting heeft benadrukt, het therapeutisch aspect centraal staat. Een voorziening met een overwegend medisch-therapeutisch karakter valt echter, gegeven de inhoud en de afbakening van de thans bestaande afzonderlijke stelsels ter zake van de wettelijke zorgverzekeringen enerzijds en de maatschappelijke participatie in de zin van de Wvg anderzijds, naar haar aard niet onder het bereik van de Wvg. De Raad heeft eerder in gelijke zin geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 19 november 2003, reg.nr. 03/3672 Wvg, RSV 2004, nr. 29.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Raad geen aanleiding voor een opdracht aan een deskundige, zoals door appellant is gevraagd.

De Raad ziet voorts nog aanleiding op te merken dat de rechtbank, door te concluderen dat gedaagde in redelijkheid tot zijn besluitvorming heeft kunnen komen, een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. In het geval van appellant is niet voldaan aan de in artikel 3.2, eerste lid, van de Verordening voor de uitoefening van de bevoegdheid tot het toekennen van een vervoersvoorziening als de onderhavige opgenomen (materiŽle) voorwaarde dat de betrokkene wegens aantoonbare medische beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer. Een belangenafweging door gedaagde is derhalve niet aan de orde en daarmee evenmin een toetsing door de bestuursrechter van de uitkomst van een dergelijke belangenafweging. Voorts kan de rechter, anders dan destijds onder de vigeur van het voormalige - royalere - voorzieningenstelsel van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, bij zijn toetsing in het kader van de Wvg niet treden in de vraag of geheel of gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag in overeenstemming is met de redelijkheid, bedoeld in artikel 57, zevende lid (oud) van die wet. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 13 augustus 2003, USZ 2003/331. De rechtbank had daarom dienen te volstaan met de conclusie dat gedaagde in het geval van appellant niet bevoegd was de aangevraagde vervoersvoorziening toe te kennen.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, met verbetering van de gronden dient te worden bevestigd.

Er is, ten slotte, geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x