Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AR3503
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene krijgt in zijn nieuwe woonplaats een lagere vervoerskostenvergoeding toegekend dan in zijn oude woonplaats. Is hierdoor gehandeld in strijd met artikel 12 van het IVBPR (recht om de verblijfplaats vrijelijk te kiezen)?
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3975 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[Wettelijk vertegenwoordiger], als wettelijk vertegenwoordiger van [betrokkene], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. K.F.J. Machielsen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 21 juni 2002, reg.nr. AWB 01/829.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad ingevolge artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt bij brief van 5 februari 2004 schriftelijke inlichtingen gegeven en onder hem berustende stukken ingezonden.

Bij brief van 20 februari 2004, met als bijlage een brief van appellant van 4 februari 2004, zijn van de zijde van appellant enkele door de Raad gestelde vragen beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 augustus 2004. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Machielsen. Gedaagde heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant woonde tot 15 december 2000 in de gemeente De Bilt. Ten behoeve van zijn meervoudig gehandicapte inwonende zoon [zoon], geboren [in] 1990, heeft appellant van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente de Bilt over het jaar 2000 ingevolge het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoerskostenvergoeding ontvangen van f 216,67 per maand. Wegens verhuizing van appellant van de gemeente De Bilt naar de gemeente [woonplaats] is die vergoeding met ingang van 1 januari 2001 beŽindigd.
Op 11 december 2000 heeft appellant een (bovenregionale) vervoerskostenvergoeding aangevraagd bij gedaagde. De vervoerbehoefte van [zoon] bestaat uit het dagelijks vervoer van en naar het kinderdagverblijf ď[naam kinderdagverblijf]Ē in [vestigingsplaats], doktersbezoeken en familiebezoek. Voor het vervoer van [zoon] maakt appellant gebruik van zijn auto.

Bij besluit van 30 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 januari 2001 een regionale vervoerskostenvergoeding toegekend van f 122,76 per maand. Die vergoeding is gebaseerd op artikel 4.4.1.1 van het - door gedaagde vastgestelde - Verstrekkingenboek van de gemeente Vianen (Verstrekkingenboek). Daarin is bepaald dat de taxikostenvergoeding voor 5 t/m 11-jarigen 50% bedraagt van het in artikel 5, aanhef en onder 5į, van het - eveneens door gedaagde vastgestelde - Besluit financiŽle tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten (Besluit) genoemde normbedrag. Gedaagde heeft de toegekende vergoeding met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 7.1 van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Vianen (Verordening) tot 1 maart 2001 verhoogd tot 75% van dat normbedrag, zulks om de verlaging van de vergoeding ten opzichte van de vergoeding die appellant in de gemeente De Bilt kreeg, geleidelijk door te voeren.

Bij het besluit van 30 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 januari 2001 tevens een bovenregionale vervoerskostenvergoeding toegekend tot een bedrag van maximaal f 125,- per kwartaal, en wel op declaratiebasis.

Bij besluit van 26 juni 2001 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het tegen het besluit van 30 januari 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het oordeel van de rechtbank komt er - kort weergegeven - op neer dat de wijze waarop in de gemeente Vianen een stelsel van forfaitaire vergoedingen tot stand is gebracht binnen de door de Wvg gestelde grenzen blijft, en voorts dat er geen grond is voor het oordeel dat gedaagde een onredelijke toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule door de vergoeding niet tot 100% maar tot 75% van het normbedrag te verhogen. Naar het oordeel van de rechtbank kan voorts niet worden gezegd dat gedaagde, door lagere normbedragen te hanteren voor een vervoerskostenvergoeding dan in sommige andere gemeenten (zoals de gemeente De Bilt) geschiedt, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. De grief van appellant dat door de verlaging van de verhuiskostenvergoeding vanwege de naar zijn mening noodzakelijke verhuizing van De Bilt naar [woonplaats] sprake is van een ongeoorloofde beperking van het in artikel 12, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) neergelegde recht zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen, heeft de rechtbank eveneens verworpen. De rechtbank heeft tenslotte het bestreden besluit - uitsluitend - vernietigd op de grond dat gedaagde een onjuiste paragraaf van het Verstrekkingenboek (namelijk die inzake taxikostenvergoedingen) heeft toegepast. Zij heeft echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat toepassing van de juiste paragraaf van het Verstrekkingenboek naar haar oordeel materieel tot hetzelfde resultaat leidt.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. In hoger beroep is wederom een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en op strijd met artikel 12, derde lid, van het IVBPR. Voorts vindt appellant het onbegrijpelijk waarom gedaagde zijn beroep op - verdergaande - toepassing van de hardheidsclausule niet heeft gehonoreerd.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en (de essentie van) de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

Ook naar het oordeel van de Raad blijft het in de gemeente Vianen geldende stelsel van forfaitaire vervoerskostenvergoedingen, zoals neergelegd in de Verordening, het Besluit en het Verstrekkingenboek, binnen de door de Wvg gestelde grenzen.

De Raad is het met de rechtbank eens dat niet kan worden gezegd dat gedaagde, door in het kader van de hem krachtens de Wvg toekomende bevoegdheid lagere vervoerskostenvergoedingen te hanteren dan sommige andere gemeenten, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. De Raad verwijst kortheidshalve naar hetgeen hij in dit verband heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 mei 1997, gepubliceerd in JSV 1997/225.

Met het aan appellant toegekende pakket aan vervoerskostenvergoedingen, waarbij met toepassing van de hardheidsclausule een hogere vergoeding dan de standaardvergoeding voor een 10-jarige is toegekend en voorts een vergoeding voor bovenregionaal vervoer, heeft gedaagde ook naar het oordeel van de Raad voldaan aan de ingevolge artikel 3 van de Wvg op hem rustende zorgplicht.

Ten slotte verwerpt de Raad het beroep op artikel 12 van het IVBPR. In het voorgaande ligt besloten dat gedaagde aan appellant met toepassing van het voor hem geldende voorzieningenstelsel in het kader van de Wvg een verantwoorde vervoerskostenvergoeding heeft toegekend. Het enkele feit dat deze - adequate - voorziening lager is dan de voorheen - ingevolge een ander voorzieningenstelsel - aan hem toegekende vergoeding brengt, ook indien daarbij wordt gelet op zijn inkomenspositie en op zijn voormalige - aangepaste - huisvesting, niet mee dat appellant in enig relevant opzicht is belemmerd in de mogelijkheid om te verhuizen naar de door hem verkozen woonplaats [woonplaats]. Onder de gegeven omstandigheden ziet de Raad, gelet op de tekst van artikel 12 van het IVBPR, niet dat sprake zou zijn van een beperking van het recht zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak - voorzover aangevochten - dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.I. ít Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2004.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x