Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AR4044
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten van woningaanpassing, op de grond dat de woning kan worden aangemerkt als een Miva-woning, waarvan de hoofdslaapkamer zodanig groot is dat er, gelet op de normen uit het Handboek voor Toegankelijkheid, geen sprake is van ergonomische beperkingen. Tevens is geweigerd betrokkene in aanmerking te brengen voor financiële tegemoetkomingen in de kosten van het aanbrengen van luchtvering in de door de gemeente aan hem in bruikleen gegeven aangepaste bus.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5251 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Regionale Organisatie Gehandicaptenvoorzieningen Nieuwe Waterweg Noord, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2002, reg.nr. WVG 02/1014.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant is ingezonden een rapport van 8 december 2003 van Ch. Wauben, ergotherapeute bij Zorggroep Waterweg Noord, Divisie Transmurale Zorg, te Schiedam waarop door gedaagde een schriftelijk reactie is gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 augustus 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door L. de Vries en M.E.C. Ouwekerk, beiden werkzaam bij de Regionale Organisatie Gehandicaptenvoorzieningen Nieuwe Waterweg Noord.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant lijdt aan een neurologische aandoening, als gevolg waarvan hij volledig rolstoelafhankelijk en volledig zorgbehoevend is.

Appellant heeft gedaagde verzocht hem op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) financiële tegemoetkomingen toe te kennen in de kosten van het aanbrengen van luchtvering in de door gedaagde aan hem in bruikleen gegeven aangepaste bus en in de kosten van aanpassing van de door hem bewoonde woning.

Bij besluiten van 18 december 2001 (autoaanpassing) en van 20 december 2001 (woningaanpassing) zijn deze aanvragen van appellant afgewezen.

Bij het bestreden besluit van 10 april 2002 heeft gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 18 december 2001 en 20 december 2001 ongegrond verklaard. Aan de afwijzing van de woningaanpassing ligt het standpunt van gedaagde ten grondslag dat de woning van appellant kan worden aangemerkt als een Miva-woning, waarvan de hoofdslaapkamer zodanig groot is dat er, gelet op de normen uit het Handboek voor Toegankelijkheid (hierna: Handboek), geen sprake is van ergonomische beperkingen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd op bepalingen uit de Verordening voorzieningen gehandicapten Nieuwe Waterweg Noord 2002 in plaats van op bepalingen uit de in 1993 vastgestelde Verordening voorzieningen gehandicapten Nieuwe Waterweg Noord (Verordening).

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Ter zitting is het hoger beroep, voorzover betrekking hebbend op de weigering om de bruikleenbus aan te passen, als onderdeel van een schikking ingetrokken. Ter zake van de woningaanpassing is aangevoerd dat de status van het door gedaagde gehanteerde handboek onduidelijk is en dat de grote slaapkamer te klein is om appellant te verzorgen.

De Raad ziet zich aldus gesteld voor de vraag of bij de aangevallen uitspraak terecht de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten van de in het bestreden besluit gehandhaafde weigering om een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing toe te kennen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg wordt (voorzover hier van belang) onder een woonvoorziening verstaan elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien de voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen. Naar vaste jurisprudentie van de Raad moet het in deze bepaling ten aanzien van woningaanpassingen neergelegde criterium ‘ergonomische beperkingen’ aldus worden uitgelegd, dat voor het vergoeden van dergelijke aanpassingen het vereiste geldt dat er zich bij een gehandicapte een - hetzij uit een lichamelijke, hetzij uit een geestelijke handicap voortvloeiende - belemmering voordoet ten aanzien van (één van) de elementaire woonfuncties, welke in direct verband staat met een lichamelijke functionele beperking.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voorzover deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Gelet op dit samenstel van algemeen verbindende voorschriften is de Raad van oordeel dat gedaagde door bij de uitleg van het begrip ‘ergonomische beperkingen’ uit te gaan van de normen die zijn neergelegd in het Handboek geen onjuiste maatstaf heeft toegepast. Onweersproken is dat het Handboek wordt beschouwd als de referentie voor het toegankelijk en bruikbaar ontwerpen en bouwen voor onder andere mensen met een handicap. In het Handboek worden eisen vermeld die gelden voor gebouwen en voor woningen.

De in het Handboek opgenomen eis voor een slaapruimte voor twee personen, van wie één rolstoelgebruiker is, is 13,2 vierkante meter. Hierbij is uitgegaan van twee rolvoorzieningen - zoals een (elektrische) rolstoel en een verrijdbare douche-toiletstoel -, een verrijdbare tillift en een bed van 2 meter breed en 2,10 meter lang.

Nu de grote slaapkamer een oppervlakte van circa 17 vierkante meter heeft en daarmee ruim binnen de hiervoor beschreven norm valt, moet deze kamer als een adequate slaapkamer voor appellant (en zijn echtgenote) worden beschouwd.

Het rapport van de ergotherapeute Wauben, die tot de conclusie is gekomen dat de grote slaapkamer qua afmetingen te klein was om appellant op adequate wijze te verzorgen, kan hieraan niet afdoen, reeds omdat in het rapport van een verkeerde afmeting van de grote slaapkamer (4,80 bij 3,10 meter) is uitgegaan. Niet is onderkend dat vóór de inmiddels plaatsgevonden hebbende verbouwing tot deze slaapkamer ook een driehoekig deel behoorde, waarvan de rechte zijden 2,25 meter lang waren. Daarmee is de totale oppervlakte van de grote slaapkamer ruim 17 vierkante meter. In een dergelijke ruimte moet appellant geacht worden de noodzakelijke transfers te kunnen maken en moet hij op adequate wijze verzorgd kunnen worden. Met betrekking tot de voetverzorging, die volgens Wauben onmogelijk was omdat de ruimte achter het bed hiervoor te gering was, onderschrijft de Raad het standpunt van gedaagde dat de voetverzorging ook elders, zoals in de badkamer, zou hebben kunnen plaatsvinden.

In hetgeen overigens van de zijde van appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Wel merkt de Raad nog op dat de rechtbank, in strijd met artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, heeft nagelaten het bestreden besluit - uitdrukkelijk - te vernietigen. De Raad zal dat alsnog doen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten, met dien verstande dat het bestreden besluit wordt vernietigd.

Aldus gewezen door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2004.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x