Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AT6661
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de toegekende tegemoetkoming in de kosten van een keukenaanpassing.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2188 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. P.J. Hagemeijer, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank s-Hertogenbosch van 26 maart 2003, reg.nr. AWB 02/362 WVG.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 maart 2005, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Hagemeijer, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Muller, werkzaam bij de gemeente Veghel.




II. MOTIVERING


Appellante is volledig rolstoelgebonden. Op 9 april 2001 heeft zij gedaagde in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten verzocht om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van een aantal woningaanpassingen. Daarbij heeft zij een door haar behandelend ergotherapeute B. Dingelstad van het revalidatiecentrum Tolbrug op 2 april 2001 opgemaakt advies overgelegd. Deze heeft op basis van de vaststelling dat bij appellante sprake is van overbelastingsklachten van de armen tengevolge van het moeten reiken naar de bovenkasten van de keuken en het gezeten in de rolstoel zelf moeten sluiten van deuren geadviseerd tot het aanbrengen van een aantal woningaanpassingen. Op 11 juni 2001 heeft appellante gedaagde desgevraagd een offerte doen toekomen waarin als totaalprijs voor de voorgestelde woningaanpassingen een bedrag van f 17.463,25 wordt genoemd. Uitgangspunt van deze offerte is het aanbrengen van deurdrangers, het ombouwen van het aanrecht tot een hoekaanrecht met voor appellante toegankelijke onderkasten en het vervangen van een versleten douchezitje.

Bij primair besluit van 31 augustus 2001 heeft gedaagde overeenkomstig het in het kader van deze aanvraag door de bouwkundig/ergonomisch adviseur ing. F.G.H.M. van de Loo van Argonaut B.V. opgemaakt rapport van 6 augustus 2001, de aanvraag van appellante tot een bedrag van f 3.363,05 toegewezen. Gedaagde heeft zich daarbij overeenkomstig dit rapport op het standpunt gesteld dat het aanbrengen van deurdrangers niet noodzakelijk wordt geacht en derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts heeft gedaagde zich gezien dit rapport op het standpunt gesteld dat het plaatsen van een dubbele aanrechtkast aan de overzijde van het bestaande aanrecht als de goedkoopste adequate voorziening moet worden aangemerkt.

Bij besluit op bezwaar van 2 januari 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 augustus 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft - voorzover hier van belang - het besluit van 2 januari 2002 gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat de voorziening van automatische deurdrangers voor de buitendeuren wordt toegekend. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Allereerst stelt de Raad vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen dat deel van het besluit van 2 januari 2002 waarbij de tegemoetkoming in de kosten van de keukenaanpassing op een lager bedrag is gesteld dan appellante had gevraagd, ongegrond is verklaard.

Appellante kan zich - kort gezegd - niet verenigen met het door gedaagde voorgestane aanbrengen van de keukenkasten aan de overzijde van de wand met het huidige aanrecht omdat zij dan telkens tussen de kast en het aanrecht om de centraal in de keuken geplaatste keukentafel heen zou moeten manoeuvreren. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat het verplaatsen van de keukentafel zonder verlies van zitplaatsen niet mogelijk is en daarbij gewezen op het belang van de bereikbaarheid van lift en deuren. Appellante heeft om een en ander inzichtelijk te maken aan de Raad een gedetailleerde situatieschets van de keuken overgelegd. Voorts heeft appellante zich ter staving van haar standpunt in hoger beroep nogmaals beroepen op de aan de rechtbank overgelegde expertise van de revalidatiearts P.W.A. Muitjens van 28 mei 2002. Deze arts heeft geconcludeerd dat van de door gedaagde voorgestane oplossing geen verlichting van de belasting op de schoudergordel wordt verwacht. Voorts heeft hij aangeraden om de lage keukenkasten op het keukenblok te laten aansluiten.

Gedaagde houdt vast aan het standpunt dat het door appellante gewenste zogenaamde hoekaanrecht vanuit medisch oogpunt niet noodzakelijk is en duurder is dan het plaatsen van twee keukenkastjes op de door gedaagde voorgestelde plaats in de keuken.

De Raad heeft in hetgeen door appellante is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het plaatsen van twee lage keukenkasten tegen de wand aan de overzijde van het huidige aanrecht niet als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt. Op grond van de door appellante verstrekte gegevens met betrekking tot de keuken, daarbij mede in aanmerking genomen de ruime omvang van de keuken en de mogelijkheid een beroep te doen op andere leden van het gezin, is de Raad van oordeel dat het redelijkerwijs mogelijk is om door het verplaatsen van de keukentafel een ongehinderde doorgang te creren ten behoeve van het bereiden van maaltijden door appellante en ten behoeve van het gezamenlijk nuttigen van maaltijden tot een geschikte opstelling van de tafel te komen. Ook het rapport van de revalidatiearts Muitjens van 28 mei 2002 biedt geen grond voor het oordeel dat van appellante niet kan worden gevergd dat de centraal in de keuken geplaatste tafel wordt verplaatst. Nu ook anderszins niet is gebleken dat deze situering zal leiden tot overbelastingsklachten, komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, in rechte stand houdt.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.I. t Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005.

(get.) M.I. t Hooft.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x