Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AU0708
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-07-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de aanvraag voor een brancardfiets als Wvg-voorziening terecht afgewezen omdat dit geen voorziening is in de zin van de Wvg?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3875 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landerd, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats] (gemeente Landerd), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft drs. W. Peters, werkzaam bij de VNG en tevens juridisch adviseur bij StimulanSZ, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 juni 2004, reg. nrs. 04/526 WVG en 04/1440 WVG VV, voorzover daarbij uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.

Namens gedaagde heeft mr. J.C. van Haarlem, advocaat te ’s-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft enkele door de Raad gestelde vragen schriftelijk beantwoord en daarbij tevens gerepliceerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. Peters en gedaagde door mr. Van Haarlem, met bijstand van A.M.T. van Hoeij-Damen.




II. MOTIVERING


Feiten

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Gedaagde lijdt aan diverse aandoeningen, ten gevolge waarvan zij beperkingen ondervindt bij het zich verplaatsen. In verband daarmee heeft appellant aan haar, in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), onder meer een handbewogen rolstoel en een elektrische rolstoel in bruikleen verstrekt.

Op 13 maart 2003 heeft gedaagde bij appellant (vergoeding van de kosten van) een bedbrancardfiets aangevraagd. Het gaat hierbij om een bed, dat is gemonteerd op het onderstel van een elektrische rolstoel en een aankoppelbaar elektrisch fietsgedeelte (hierna aangeduid als: brancardfiets).

Appellant heeft met betrekking tot deze aanvraag advies gevraagd aan Argonaut B.V. In zijn rapportage indicatiestelling van 6 april 2003 komt R.M. van Noort, arts voorzieningen bij Argonaut B.V., tot de conclusie dat er een indicatie is voor een voorziening in de vorm van een soort duwwandelwagen of een elektrisch aangedreven middel. Uit de rapportage van 25 april 2003 van I. van den Dungen, ergonomisch adviseur bij Argonaut B.V., blijkt dat de goedkoopste adequate voorziening voor gedaagde een op maat gemaakte brancardfiets is. De arts Van Noort heeft vervolgens naar aanleiding van vragen van appellant nogmaals, en met inachtneming van informatie van de behandelend revalidatiearts, de indicatie voor de gevraagde voorziening beoordeeld. Dit heeft niet geleid tot een wijziging van zijn eerdere conclusie.

Op 29 april 2003 heeft Welzorg Uden een offerte uitgebracht voor de levering van een brancardfiets voor een bedrag van € 15.179,01.

Bij besluit van 9 september 2003, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 januari 2004, heeft appellant de aanvraag van gedaagde afgewezen. Hieraan ligt ten grondslag het standpunt van appellant dat een brancardfiets geen voorziening is in de zin van de Wvg en dus niet valt onder de ingevolge de Wvg op het gemeentebestuur rustende zorgplicht, dat met de verstrekking in bruikleen van een handbewogen rolstoel en een elektrische rolstoel aan die zorgplicht is voldaan, en dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule.



Aangevallen uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met beslissingen over het griffierecht en de proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 januari 2004 vernietigd en bepaald dat appellant uiterlijk 30 juli 2004 een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

De voorzieningenrechter heeft daarbij vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde, gelet op haar medische beperkingen, is aangewezen op zogeheten liggend vervoer en dat uit de adviezen van de arts en de ergonomisch adviseur van Argonaut B.V. blijkt dat gedaagde voor verplaatsingen een brancardfiets nodig heeft, hetgeen in de gegeven omstandigheden de goedkoopste adequate voorziening is.

Hiervan uitgaande is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat het in de artikelen 2 en 3 van de Wvg en de daarin haar (delegatie)grondslag vindende Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Landerd 2003 (Verordening) neergelegde kader onvoldoende aanknopingspunten biedt om de door appellant gehanteerde maatstaf, waarbij de grens van wat binnen de zorgplicht valt wordt gelegd bij een rolstoel met kantelvoorziening, als rechtens houdbaar aan te merken.



Standpunt appellant

Appellant betwist dat een brancardfiets valt onder de voorzieningen, bedoeld in de Wvg. De aangevraagde voorziening is geen rolstoel. Wat de categorie vervoersvoorziening betreft geldt in het kader van de Wvg als uitgangspunt het openbaar vervoer. Vervoersvoorzieningen in de zin van de Wvg dienen ter vervanging van het openbaar vervoer voor gehandicapten die daar geen gebruik van kunnen maken en bieden een aanvulling daarop voor de korte afstand. Het gaat dan om “reguliere” vervoersvoorzieningen als het collectief vervoer, (elektrische) rolstoelen en scootmobielen, aangepaste fietsen, gesloten buitenwagens en bruikleenauto’s, met inbegrip van aanpassingen daaraan. De grens van de zorgplicht ligt bij modificaties van deze ‘reguliere’ vervoersvoorzieningen. Het liggend vervoer valt daar niet onder.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de brancardfiets niet kan worden meegenomen in het collectief aangepast vervoer en in de trein. Ook zullen veel winkels en liften niet toegankelijk zijn, waardoor een groot deel van de activiteiten die met een reguliere vervoersvoorziening ondernomen plegen te worden, niet met de brancardfiets kunnen worden ondernomen.

Bij zijn repliek en ook ter zitting heeft appellant zich bovendien op het standpunt gesteld dat hij, nu de gevraagde voorziening naar zijn opvatting niet onder de Wvg valt, niet is toegekomen aan een onderzoek naar de medische objectivering van de klachten van gedaagde, zodat de medische noodzaak van de gevraagde voorziening niet vaststaat. Dit zou volgens appellant, in het geval de Raad tot een ander oordeel zou komen dan door appellant voorgestaan, moeten leiden tot een nader medisch onderzoek.



Standpunt gedaagde

Gedaagde betwist dat de aangevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wvg valt. De Wvg en de Verordening geven geen limitatieve opsomming van voorzieningen. De aangevraagde voorziening is volgens gedaagde een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Wvg. Het is daarbij niet van belang of de brancard(fiets) meegenomen kan worden in het collectief aangepast vervoer of in de trein. Deze stelling van appellant is bovendien feitelijk onjuist, zoals blijkt uit de ervaringen van A.M.T. van Hoeij-Damen, die al jaren de beschikking heeft over een soortgelijke voorziening.

Gedaagde heeft vervolgens gesteld dat zij zonder de aangevraagde voorziening niet in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alledag, zoals het doen van boodschappen en het bezoeken van familie, vrienden en de kerk.



Beoordeling

Medische indicatie

De Raad overweegt in de eerste plaats dat voorbij moet worden gegaan aan de stellingname van appellant dat de medische noodzaak voor gedaagde van de door haar aangevraagde voorziening niet vaststaat.

In het verweerschrift in eerste aanleg is naar aanleiding van het verzoek van gedaagde om een deskundige te benoemen om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag op welke voorziening zij is aangewezen, door appellant ondubbelzinnig gesteld dat nimmer is bestreden dat gedaagde uitsluitend liggend kan worden vervoerd. Ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank is appellant hier niet van teruggekomen. De voorzieningenrechter heeft op grond daarvan terecht vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde, gelet op haar medische beperkingen, is aangewezen op liggend vervoer. Tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter heeft appellant ook geen hoger beroep ingesteld.

Voorziening in de zin van de Wvg

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de aangevraagde voorziening valt onder de reikwijdte van de ingevolge artikel 2, in samenhang met de artikelen 3 en 5, van de Wvg op het bestuur van de gemeente Landerd rustende zorgplicht. Voor de beantwoording daarvan is bepalend of de brancardfiets moet worden aangemerkt als een voorziening in de zin van de Wvg.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van vervoersvoorzieningen aan in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt het daartoe met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wvg bij verordening regels vast.

In artikel 1, aanhef en onder d, van de Wvg is een vervoersvoorziening gedefinieerd als een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt.

In artikel 3 van de Wvg is bepaald dat het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aanbiedt, waaronder worden verstaan: doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte voorzieningen.

In de gemeente Landerd is (ten tijde in geding) aan de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht voldaan door vaststelling van de Verordening.

Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kan een door gedaagde te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit:
a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;
b. een in bruikleen te verstrekken voorziening in natura in de vorm van:
    1. een al dan niet aangepaste bruikleenauto;
    2. een al dan niet aangepaste gesloten buitenwagen;
    3. een open elektrische buitenwagen (...);
    4. een ander verplaatsingsmiddel;
c. een tegemoetkoming in de kosten van:
    1. aanpassing van een eigen auto;
    2. gebruik van een bruikleenauto;
3. gebruik van een taxi, gebruik van eigen auto of een auto van derden al dan niet gecombineerd met gebruik van een taxi;
    4. gebruik van een rolstoeltaxi;
    5. aanschaf of gebruik van een ander verplaatsingsmiddel.

De Raad merkt de aangevraagde brancardfiets niet aan als een rolstoel, aangezien het niet gaat om een mobiele stoel, maar om een mobiel bed, dat door gedaagde is aangevraagd om zich daarmee buitenshuis in liggende houding te (laten) vervoeren.

De definitie van het begrip vervoersvoorziening is in de Wvg ruim geformuleerd. De Raad stelt vast dat de aangevraagde voorziening is gericht op vermindering van de beperkingen die gedaagde - naar in het voorgaande ligt besloten - bij het vervoer buitenshuis ondervindt. De brancardfiets stelt haar, in de gegeven omstandigheden, immers in staat om zich buiten haar woning te (doen) verplaatsen teneinde in enigerlei mate deel te nemen aan het leven van alledag. Daarmee is voldaan aan de in de Wvg gegeven definitie van het begrip vervoersvoorziening. Voorts is van belang dat artikel 3.1 van de Verordening appellant de bevoegdheid geeft (een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf van) een ander verplaatsingsmiddel dan de in de Verordening specifiek genoemde vervoersvoorzieningen te verstrekken. Evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het in de artikelen 2 en 3 van de Wvg gegeven wettelijke kader en de op grond daarvan vastgestelde Verordening geen toereikend aanknopingspunt bieden voor de door appellant gehanteerde beperkende uitleg, waarbij de grens van de ingevolge de Wvg toe te kennen vervoersvoorzieningen is gelegd bij een (elektrische) rolstoel met kantelvoorziening.

De - op zichzelf juiste - stelling van appellant dat een vervoersvoorziening in de zin van de Wvg ertoe strekt het openbaar vervoer te vervangen en zo nodig aan te vullen, kan in het voorliggende geval niet tot het door appellant gewenste resultaat leiden. Met de brancardfiets kunnen immers in beginsel bestemmingen worden bereikt die gedaagde, als zij gezond zou zijn geweest, met het openbaar vervoer of lopend dan wel fietsend had kunnen bereiken.

Voor de door appellant voorgestane strikte beperking van de vervoersvoorzieningen tot “reguliere” vervoersvoorzieningen valt noch in de Wvg noch in de Verordening toereikende steun te vinden. Daarin is geen limitatieve opsomming van vervoersvoorzieningen opgenomen, terwijl in artikel 3 van de Wvg ligt besloten dat een gemeentebestuur bij de keuze van een toe te kennen (combinatie van) voorziening(en) - naast andere aspecten, zoals de doelmatigheid - er rekening mee dient te houden dat de geboden voorzieningen moeten zijn toegesneden op de handicap(s) van de betrokkene en diens individuele omstandigheden. Dit kan er onder omstandigheden toe leiden dat enig verdergaand maatwerk moet worden geleverd dan de gebruikelijke modificaties van een “reguliere” vervoersvoorziening.

Of een brancard(fiets) al dan niet meegenomen kan worden in het collectief aangepast vervoer of in de trein is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de strekking en de reikwijdte van de in de Wvg gegeven definitie, op zichzelf niet beslissend voor het antwoord op de vraag of een voorziening een vervoersvoorziening in de zin van de Wvg is. De Raad laat overigens daar of deze stelling feitelijk wel juist is, gelet op de door A.M.T. van Hoeij-Damen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgelegde verklaringen.

Ook het argument van appellant dat niet alle bestemmingen voor gedaagde bereikbaar of toegankelijk zullen zijn, overtuigt de Raad niet. Ook een voorziening die de beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt niet opheft, maar wel in betekenende mate vermindert, valt onder het begrip vervoersvoorziening in de zin van de Wvg.

Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de door gedaagde aangevraagde voorziening moet worden aangemerkt als een vervoersvoorziening in de zin van de de Wvg (en de Verordening).



Conclusie

Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad zal bepalen dat appellant, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen, een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van gedaagde. De Raad ziet aanleiding om appellant daarvoor een termijn te stellen van zes weken.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Van andere op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat appellant binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Landerd;
Bepaalt dat van de gemeente Landerd een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ‘t Hooft en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x