Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AU8838
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-12-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing woonvoorziening in de vorm van het aanleggen van een vast toilet in de badkamer.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/5745 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester een wethouders van de gemeente Zeevang, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Vanwege appellante is op daartoe bij het aanvullend beroepschrift van 24 december 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 oktober 2003, reg.nr. Awb 03-650.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2005. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Christiaans, werkzaam bij de gemeente Zeevang.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreider overzicht van de feiten, de standpunten van partijen in eerste aanleg en de toepasselijke bepalingen bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.

Appellante, die bij haar zoon inwoont, heeft gedaagde om een woonvoorziening verzocht in de vorm van het aanleggen van een vast toilet in de badkamer. Zij heeft als reden aangegeven dat zij gemiddeld twee keer per nacht moet urineren en dat zij dan de WC op de begane grond niet tijdig kan bereiken. In het op verzoek van gedaagde door het RIO [Regionaal Indicatieorgaan, red.] op 9 september 2002 uitgebrachte indicatieadvies is onder meer vermeld dat appellante in en om huis kan lopen (zonder hulpmiddel) en de huishouding zelfstandig verricht, inclusief tuinieren, ramen lappen, toilet en douche schoonmaken. De aan het RIO verbonden medisch adviseur H. van Ginkel heeft appellante op haar spreekuur gezien en bij de huisarts informatie ingewonnen. In de door haar achtereenvolgens uitgebrachte adviezen van 5 september 2002 en 7 november 2002 is aangegeven dat het plasprobleem van appellante een leeftijdsgerelateerde gynaecologische aandoening is, dat de emmer (pas) de volgende dag geleegd hoeft te worden en dat er geen medische argument is waarom een toiletstoel niet adequaat zou zijn.

Overeenkomstig het daartoe strekkend advies van het RIO heeft gedaagde aan appellante een losse toiletstoel toegekend op de grond dat in haar geval dit middel, naar objectief medische maatstaf gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening moet worden aangemerkt.

In bezwaar heeft appellante twee notities van haar huisarts overgelegd. In de laatste - van 4 oktober 2002 - is vermeld dat appellante niet eenvoudig met een plasemmer de trap af kan lopen, dat haar zoon daarom nooit langere tijd afwezig kan zijn en dat deze "dus toch zou willen verzoeken om een wc op de eerste verdieping".

Bij besluit op bezwaar van 5 februari 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn in het primaire besluit neergelegde standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit niet onrechtmatig geacht en het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat appellante geen medische beperkingen heeft die het gebruik van de aangeboden toiletstoel in de weg staan en dat kan worden volstaan met het eenmaal per dag legen van de emmer. Voorts acht de rechtbank niet gebleken van omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat het gemeentebestuur in beperkende zin rekening mag houden met redelijkerwijs van de betrokken gehandicapte zelf of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden of huisgenoten, te vergen medewerking aan oplossingen voor de zich voordoende woonproblematiek. Daarbij is verwezen naar jurisprudentie van de Raad, onder meer neergelegd in zijn uitspraken van 11 juli 2000, LJN AI5550, en 23 januari 2001, LJN 8540 [LJN ??8540, red.].

In hoger beroep heeft appellante met name benadrukt dat de naar haar mening nodige hulp bij het verplaatsen of legen van de emmer niet van haar zoon kan worden gevergd omdat hij daardoor in zijn vrijheid wordt beperkt.

Gedaagde heeft ter zitting aangevoerd dat appellante blijkens de bevindingen van het RIO zonder hulpmiddel in en om huis kan lopen en nagenoeg alle huishoudelijke taken zelfstandig verricht. Gedaagde acht appellante tevens in staat de emmer in het toilet op de begane grond te legen. Van haar zoon mag, aldus gedaagde, in alle redelijkheid worden verlangd dat hij de emmer van de etage mee naar beneden neemt.
De Raad onderschrijft, gelet op de bevindingen van het RIO en de mede met inachtneming van de informatie van de huisarts tot stand gekomen adviezen van de betrokken medisch adviseur, de overwegingen van de rechtbank en het standpunt van gedaagde. Evenals in zijn uitspraak van 24 december 1999, LJN ZB8614, komt de Raad tot de slotsom dat een losse toiletstoel in de gegeven situatie de goedkoopste adequate voorziening is in de zin van de toepasselijke bepalingen bij en krachtens de Wvg.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.I. ít Hooft in tegenwoordigheid van S.M.A. School als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 december 2005.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) S.M.A. School.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x