Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AU9220
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-01-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk en het verzet wordt ongegrond verklaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2335 WVG




U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[opposante], wonende te [woonplaats], opposante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, geopposeerde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Opposant heeft een verzetschrift ingediend tegen de uitspraak van de Raad van 29 juni 2005 waarbij het door opposante ingestelde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 februari 2005 niet-ontvankelijk is verklaard.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 16 november 2005 waar opposante in persoon is verschenen; geopposeerde heeft zich - zoals tevoren bericht - niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De uitspraak van de Raad van 29 juni 2005 steunt kort samengevat hierop, dat bij het instellen van het hoger beroep de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat geen aanknopingspunten zijn gevonden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

In geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.

In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op dat hij in hetgeen namens opposante in verzet heeft aangevoerd geen omstandigheden heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat opposante haar verzuim in de onderhavige zaak niet kan worden tegengeworpen.

Naar het oordeel van de Raad namen de door opposante genoemde omstandigheden niet weg dat zij in staat moest worden geacht om binnen de beroepstermijn, eventueel in de vorm van een voorlopig beroepschrift, tijdig hoger beroep in te stellen.

Hetgeen opposante ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht - neerkomend op een herhaling van de eerder aangevoerde redenen - brengt de Raad niet tot een andersluidend oordeel.

Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.I. ít Hooft als voorzitter, in tegenwoordigheid van S.M.A. School als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2006.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) S.M.A. School.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x