Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AV3835
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geweigerd betrokkenen in aanmerking te brengen voor een verhuiskostenvergoeding? Klachten veroorzaakt door laag frequent geluid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/3833 WVG en 04/3834 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juni 2004, reg.nr. 04-102 WVG.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2006, waar appellanten niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten hebben, wegens klachten die volgens hen veroorzaakt worden door laag frequent geluid dat afkomstig is van de ventilator van de buren, gedaagde verzocht om hen op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Haarlemmermeer (hierna: de Verordening) een woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten (hierna: verhuiskostenvergoeding) te verstrekken.

Naar aanleiding hiervan heeft F. Chan, arts van Argonaut BV, desgevraagd aan gedaagde op 5 november 2002 een medisch advies uitgebracht. Blijkens dit advies is L.J. Nieberg enigszins beperkt op het gebied van horen. Geconcludeerd is dat geen sprake is van een medische indicatie voor een verhuiskostenvergoeding.

Gedaagde heeft de gevraagde voorziening bij besluiten van 12 november 2002 afgewezen.

In bezwaar hebben appellanten onder meer een brief van woningbouwvereniging ‘De Woonmaatschappij’ van 5 juni 2002, brieven van de neuroloog W.G. Strack van Schijndel-van Hanswijk van 20 augustus 2002, 17 september 2002 en 3 januari 2003 en een brief van de GGD Amstelland-de Meerlanden van 24 januari 2003 ingezonden.
De woningbouwvereniging heeft bericht dat bij onderzoek op 27 mei 2002 naar mogelijk aanwezige geluiden geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Neuroloog Strack van Schijndel-van Hanswijk heeft in haar brief van 17 september 2002 aangegeven dat appellanten bij haar bekend zijn met door hen gepresenteerde klachten in hun woning in verband met continue blootstelling aan laagfrequent geluid afkomstig van een ventilator van de buren. De GGD heeft een aantal oplossingen aangedragen en heeft bericht dat hij zijn rol in deze beëindigt.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellanten in de lijn van het advies van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften bij besluit van 1 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Gedaagde heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde terecht heeft geweigerd appellanten in aanmerking te brengen voor een verhuiskostenvergoeding. De Raad overweegt daaromtrent het volgende.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag, gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg, het vereiste van ergonomische beperkingen niet worden gesteld als het gaat om een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Bij een verhuiskostenvergoeding sprake moet wel sprake zijn van een medische noodzaak voor verhuizing. Dit vereiste komt er op neer dat sprake moet zijn van een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die de gehandicapte bij het normale gebruik van zijn bestaande, te verlaten, woning ondervindt. Het moet dan gaan om naar objectieve medische maatstaf aanwezige beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die een op opheffing of vermindering daarvan gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. In zijn uitspraak van 4 februari 2004, LJN AO3543 (gepubliceerd in USZ 2004/91) heeft de Raad tevens overwogen dat voor het bij een woonvoorziening als de onderhavige gehanteerde criterium van een medische noodzaak als aanvullend vereiste geldt dat van beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg alleen dan sprake is, indien er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, met dien verstande dat die beperkingen in de woning zelf moeten worden ondervonden.

Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat sprake is van een verband in hiervoor bedoelde zin tussen de door appellanten ondervonden beperkingen en de bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door hen bewoonde woning. Enig aanknopingspunt dat ten gevolge van bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door appellanten bewoonde woning beperkingen worden ondervonden bij het normale gebruik van die woning ontbreekt. Naar het oordeel van de Raad is de aangevraagde verhuiskostenvergoeding dan ook terecht geweigerd.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 1 december 2003 in rechte stand houdt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x