Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AV3943
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning verlaagd aanrechtblad. Afwijzing van een in hoogte verstelbaar aanrechtblad.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2988 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 mei 2003, reg.nr. 02/854 WVG.

Gedaagde heeft bij schrijven van 1 augustus 2003 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 januari 2006, waar appellante niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Inia, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten, de in bezwaar en beroep van de zijde van appellante aangevoerde grieven en de ten tijde van belang toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hierbij met het volgende.

Appellante heeft zich bij aanvraag van 29 januari 2002 tot gedaagde gewend met het verzoek haar op grond van het in en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) bepaalde in aanmerking te brengen voor een woonvoorziening in de vorm van een in hoogte verstelbaar aanrechtblad.

Bij primair besluit van 25 maart 2002 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van het verlagen van het aanrechtblad.
Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 10 juli 2002 ongegrond verklaard. Hierbij heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat een verlaagd aanrecht in het onderhavige geval aangemerkt kan worden als een adequate verantwoorde voorziening in de zin van de Wvg.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 10 juli 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen, waarbij appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid.

“Het onderhavige geding spitst zich toe op de vraag of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat het aanbrengen van een verlaagd vast aanrechtblad kan worden aangemerkt als een verantwoorde voorziening in de zin van de WVG. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

In het onderhavige geval geeft eiseres aan dat zij weliswaar gebaat zal zijn bij een verlaagd aanrechtblad, doch dat dit rugklachten zal gaan veroorzaken bij haar echtgenoot. Naar het oordeel van de rechtbank moet als uitgangspunt voor de beoordeling van de aanspraken op een woonvoorziening worden aangehouden de individuele omstandigheden van de aanvrager van de voorziening. Tot op zekere hoogte kunnen bij deze beoordeling de omstandigheden van huisgenoten van de betrokkene worden betrokken. De zorgplicht van verweerder, zoals bedoeld in artikel 3 van de WVG, strekt echter niet zo ver dat altijd de voor de gehandicapte en zijn of haar huisgenoten best denkbare voorziening dient te worden getroffen. Van een gehandicapte en zijn of haar huisgenoten mag worden verwacht dat zij zich zekere beperkingen getroosten en de verdeling van hun huishoudelijke activiteiten en de wijze waarop zij deze uitvoeren daarop aanpassen. Ten aanzien van de beperkingen die een verlaagd aanrechtblad in het onderhavige geval voor de echtgenoot van eiseres met zich meebrengt overweegt de rechtbank dat het, gelet op het bovenstaande, niet onredelijk is om van eiseres en haar echtgenoot te verwachten dat zij de verdeling van de huishoudelijke taken, in het bijzonder de afwas, en de wijze waarop zij deze taken uitvoeren, aanpassen, temeer nu ter zitting door eiseres is bevestigd dat zij degene is die het eten altijd kookt en ook verder met hulp van haar echtgenoot nog een deel van het huishouden doet.”

De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om anders te oordelen dan de rechtbank.

Het door appellante gedane beroep op het Protocol moet, gelet op de uitspraak van de Raad van 19 november 2003, gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN AO0526, worden verworpen. De Raad volstaat hier met een verwijzing naar die uitspraak.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x