Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AX3065
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen medische indicatie voor woningaanpassing in de vorm van het aanbrengen van inpandig sanitair in de woonwagen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/957 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2004, 02/2028 WVG (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Buscop, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.




II. OVERWEGINGEN


Appellante woont in een haar in eigendom toebehorende woonwagen. Voor de sanitaire voorzieningen dient appellante gebruik te maken van een buiten haar woonwagen gelegen berging waarin onder meer een toilet en een douche aanwezig zijn.

In verband met haar lichamelijke beperkingen, als gevolg waarvan appellante stelt niet in staat te zijn gebruik te kunnen maken van de in die berging gelegen voorzieningen, heeft appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) op 11 maart 2002 bij het College een aanvraag om een woningaanpassing in de vorm van inpandig sanitair ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft L.M.E. Jozefzoon, arts bij GGD West-Brabant, op 13 mei 2002 desgevraagd aan het College een medisch advies uitgebracht. In dit advies is geconcludeerd dat er geen medische indicatie is voor woningaanpassing in de vorm van inpandig sanitair. Vervolgens heeft het College bij besluit van 27 mei 2002 het verzoek van appellante afgewezen.

Bij besluit van 30 september 2002 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het besluit van 30 september 2002 beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft het College de rechtbank een nader medisch advies van 18 maart 2003 van I.D. Flameling, sociaal geneeskundige bij GGD West-Brabant, doen toekomen.

De rechtbank heeft in de gedingstukken en in het verhandelde ter zitting aanleiding gezien om H.G. Bosman, longarts bij het Albert Schweitzerziekenhuis te Dordrecht, als deskundige te benoemen. Op 20 augustus 2003 heeft H.G. Bosman een medisch advies uitgebracht. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hierop te reageren en toestemming is verleend om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 30 september 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorgdraagt voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels dient vast te stellen. Ter uitvoering van die bepaling heeft de raad van de gemeente Roosendaal de Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Verordening) vastgesteld.

Artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken voorziening kan bestaan uit een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van onder meer; a) verhuizing en inrichting; b) woningaanpassing en; c) woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening kan een gehandicapte voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen van ergonomische aard het normale gebruik van de woning belemmeren. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een gehandicapte voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1 onder b en c, in aanmerking kan worden gebracht, indien de in het eerste lid genoemde voorziening niet te realiseren is of niet de goedkoopste adequate oplossing is.

Blijkens het medische advies van L.M.E. Jozefzoon, die beschikte over schriftelijke informatie van de huisarts, is bij appellante sprake van een lichte energetische beperking in het lopen buitenshuis, maar ondervindt appellante geen ergonomische beperkingen in het gebruik van haar huidige douche en toilet. Appellante is in staat om op normale wijze gebruik te maken van haar douche en toilet. In het medisch advies van I.D. Flameling zijn de orthopedische aandoeningen van appellante in ogenschouw genomen en is geconcludeerd dat een bijstelling van het eerdere medische advies niet aan de orde is. In het medische advies van H.G. Bosman ten slotte is aangegeven dat er ten tijde in geding strikt medisch en op longgebied gezien naar objectieve maatstaven gemeten geen beperkingen bij het gebruik van douche en toilet in de berging buiten de woonwagen aanwezig zijn.

De Raad is niet gebleken dat deze adviezen, waarvan naar het oordeel van de Raad niet gezegd kan worden dat deze op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inhoudelijk niet juist zouden zijn. Uit de door appellante overgelegde verklaring van haar longarts J.L.M. van Helmond van 17 april 2003 wordt weliswaar gewezen op het belang van inpandig sanitair, maar uit die verklaring blijkt niet dat appellante ten tijde in geding als gevolg van haar beperkingen niet in staat is om op normale wijze van het in de berging gelegen sanitair gebruik te maken. Evenmin blijkt dit uit de brief van de orthopedisch chirurg van appellante, J.J.M. Ogink, van 17 mei 2004. In die brief zijn enkel de klachten van appellante (met name van na de periode in geding) en de wijze van behandeling vermeld. De Raad ziet in deze medische stukken geen aanleiding om, zoals appellante heeft verzocht, een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Nu appellante blijkens het vorenstaande ten tijde in geding in staat geacht wordt om op normale wijze gebruik te maken van de in de berging gelegen sanitaire voorzieningen, heeft het College appellante ingevolge het bepaalde in de Wvg en de Verordening terecht niet in aanmerking gebracht voor een tegemoetkoming in de kosten van inpandig sanitair.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Aangezien het beroep ongegrond zal worden verklaard, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte zodat het verzoek daartoe van appellante dient te worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x