Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AX3855
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Uitbreiding van de woning voor een rolstoelgebruiker.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3116 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noorder-Koggenland te Midwoud (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 april 2004, 04/210 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 10 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P. Reijnen, werkzaam bij de gemeente Noorder-Koggenland. Betrokkene is niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Sedert 1 februari 2003 woont betrokkene in de woning [aan het adres] te [woonplaats]. Op verzoek van appellant heeft het Zorgloket Regionaal Indicatieorgaan West-Friesland (hierna: RIO) op 12 augustus 2003 advies uitgebracht over de vraag welke woningaanpassingen, gelet op door betrokkene in zijn woning ondervonden beperkingen, noodzakelijk zijn. In dat kader heeft het RIO aan Advies Consult samenwerkingsverband voor advisering aanpassingen WVG en AWBZ (hierna: ADCO) opdracht gegeven ergotherapeutisch advies uit te brengen. ADCO heeft in zijn advies van 17 juli 2003 aangegeven dat de totale oppervlakte van de woonkamer en de keuken van 24,32 m bedraagt en mitsdien beantwoordt aan de minimale afmetingen, gesteld in het Handboek Toegankelijkheid. Dit wordt in het algemeen voldoende geacht wanneer de ruimte ergonomisch wordt ingericht en verdeeld. ADCO komt niettemin tot de conclusie dat de woning van appellant gelet op de verdeling van de ruimte over woonkamer en keuken, de routing in de woning, en de draaicirkel van de rolstoel van 180 graden te klein is. Vervolgens heeft het RIO in zijn advies aan appellant van 12 augustus 2003 aangegeven dat de woning aan de minimale maten voldoet wanneer rekening wordt gehouden met het rolstoelgebruik van betrokkene. Het wordt aan de beoordeling van appellant overgelaten of de gevraagde voorziening al dan niet wordt toegekend.

Bij besluit van 12 september 2003 heeft appellant betrokkene een vergoeding toegekend voor de kosten van een beperkt aantal woningaanpassingen. Voorts heeft appellant bepaald dat aan betrokkene geen vergoeding zal worden verstrekt voor het laten uitbouwen van de woning om reden dat de grootte van de woonkamer en de keuken aan de minimale eisen gesteld in het Handboek Toegankelijkheid voldoet en dat van betrokkene wordt verwacht dat hij rekening houdt met zijn rolstoelgebruik en de kamer ergonomisch inricht.

Bij besluit van 15 januari 2004 heeft appellant - voorzover hier van belang - het tegen het besluit van 12 september 2003 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit op bezwaar van 15 januari 2004 voorzover gericht tegen de weigering de woning uit te laten bouwen wegens een motiveringsgebrek gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen en appellant veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant is in hoger beroep gekomen van dat deel van de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank het besluit op bezwaar van 15 januari 2004 wegens een motiveringsgebrek heeft vernietigd en appellant opdracht heeft gegeven een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen.

De Raad overweegt het volgende.

Appellant stelt zich op het standpunt dat kan worden uitgegaan van het advies van het RIO en voorts dat het RIO en ADCO beide van mening zijn dat de ruimte in de woning van appellant voldoet aan de minimale eisen gesteld in het Handboek Toegankelijkheid.

In geding is derhalve nog uitsluitend de weigering van appellant betrokkene in aanmerking te brengen voor vergoeding van de kosten voor het laten uitbouwen van zijn woonkamer en keuken.

De Raad is evenals de rechtbank en op gelijkluidende gronden tot het oordeel gekomen dat het besluit op bezwaar van 15 januari 2004 ten aanzien van de zojuist genoemde weigering een deugdelijke motivering ontbeert. De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant naar voren is gebracht en de gedingstukken, waaronder het rapport van het RIO, geen aanknopingspunten gevonden om aan het advies van ADCO te twijfelen. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat het advies van ADCO mede tot stand is gekomen op grond van een huisbezoek en dat in het advies gemotiveerd is aangegeven waarom de woning van betrokkene te klein is. De Raad is op grond van het advies van het RIO niet tot het oordeel gekomen dat aan de bevindingen van het ADCO moet worden getwijfeld. Gelet hierop acht de Raad het standpunt van appellant dat voor vergroting van de woning van betrokkene geen medisch ergonomische noodzaak bestaat onvoldoende onderbouwd. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en dat appellant een nieuw besluit op bezwaar zal moeten nemen.

Ten slotte merkt de Raad ten overvloede en mede ter voorlichting van betrokkene op dat voormeld oordeel van de Raad geenszins met zich meebrengt dat het door appellant nieuw te nemen besluit op bezwaar zal moeten inhouden dat betrokkene in aanmerking moet worden gebracht voor woningaanpassing in de vorm van uitbreiding van de woning.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Bepaalt dat van appellant een recht van 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. t Hooft als voorzitter en R.M. van Male en R.H. de Bock als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2006.

(get.) M.I. t Hooft.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x