Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AX6753
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De klachten zijn niet te objectiveren. Beschikking over rolstoel, scootmobiel, deelname aan collectief vervoer en Traxx, eigen auto. Zijn er voldoende mogelijkheden om in de natuur te recreëren?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/4857 WVG




P R O C E S - V E R B A A L




van de mondelinge uitspraak op 3 mei 2006.

Zitting heeft: M.I. ’t Hooft; griffier: B.M. Biever-van Leeuwen.

2e zaak, reg.nr. 04/4857 WVG, inzake:

[appellant], wonende te [woonplaats], verschenen bij gemachtigde mr. W.C. de Jonge,
advocaat te Vlaardingen,

tegen

Het bestuur van het Regionale Organisatie Gehandicaptenvoorzieningen Nieuwe Waterweg Noord, gedaagde, verschenen bij gemachtigden I. de Vries en M.E.C. Ouwerkerk, werkzaam bij gedaagde.




Voor een weergave van de feiten, de toepasselijke regelgeving en de standpunten van partijen in eerste aanleg verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt hier toegevoegd dat de medisch adviseurs van gedaagde (Heus, van Oostrum, van Landeghem en Spanjersberg) op grond van hun bevindingen (waaronder informatie van de destijds behandeldende revalidatiearts Soerjanto) het er voor hebben gehouden dat appellante nauwelijks kan lopen, ofschoon haar voortdurende klachten (onder meer fibromyalgie) moeilijk zijn te objectiveren. Vervolgens heeft gedaagde appellante op haar verzoek in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) in aanmerking gebracht voor diverse voorzieningen, onder meer een meeneembare handbewogen rolstoel, een scootmobiel en deelname aan het collectief vervoer per deeltaxi (waarin ook de rolstoel en/of scootmobiel mee kan). Voorts had appellante ten tijde in geding een pas voor het landelijk vervoersysteem Traxx alsmede een eigen auto.

Bij het bestreden besluit van 23 juni 2003 heeft gedaagde vastgehouden aan de afwijzing van de aanvraag van appellante om haar reguliere duwrolstoel te voorzien van een “click & go” systeem waarmee kan worden gereden op bospaden en over het strand. Gedaagde acht appellante niet aangewezen op de gevraagde voorziening aangezien zij zich met de aan haar verstrekte rolstoel en scootmobiel op adequate wijze kan verplaatsen in en om haar woning en in de naaste omgeving. Gelet daarop acht gedaagde zich ingevolge de toepasselijke bepalingen in en krachtens de Wvg niet gehouden om tegemoet te komen aan de specifieke wens van appellante om in haar duwrolstoel ook op onverhard terrein te kunnen recreëren.

In bezwaar en beroep benadrukt appellante dat zij zelf wenst te bepalen waar en hoe zij in de vrije natuur ontspanning zoekt. Gedaagde stelt daar - onweersproken - tegenover dat appellante met haar duwrolstoel en scootmobiel buiten kan rijden over in de omgeving aanwezige verharde (fiets)routes in bos en duin. Het is niet zo dat appellante, wil zij recreëren in de natuur, aangewezen is op de thans gevraagde voorziening.

De rechtbank Rotterdam heeft bij de aangevallen uitspraak (reg.nr. 03/1992) van 27 augustus 2004 het beroep ongegrond verklaard, mede onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen in de Wvg, de Verordening en het Verstrekkingenboek.

De Raad stelt, gelet op de gedingstukken, vast dat de aanvraag van appellante ziet op een uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden van haar reguliere rolstoel middels een accessoire, als bedoeld in artikel 4.1 van de Verordening en de paragrafen 5.2.6 en 5.3 van het Verstrekkingenboek. Zulk een voorziening ziet op het opheffen of verminderen van objectief aantoonbare beperkingen die een gehandicapte ondervindt bij het zich verplaatsen over korte afstanden (in en om de woning). Accessoires die daartoe niet noodzakelijk zijn komen, gelet op de in de toepasselijke bepalingen in en krachtens de Wvg gestelde grenzen aan de zorgplicht, in beginsel niet voor verstrekking in aanmerking. Met de haar ter beschikking staande combinatie van verplaatsings- en vervoersvoorzieningen kan appellante, beoordeeld naar de maatstaf in en krachtens de Wvg, zich in aanvaardbare mate over korte en middellange afstanden verplaatsen en deelnemen aan het leven van alledag.

De Raad onderschrijft het oordeel en de strekking van de overwegingen van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep - nagenoeg bij wijze van herhaling van het eerder gestelde - heeft aangevoerd brengt daarin geen verandering. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




De Raad beslist als volgt.

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Utrecht, 3 mei 2006.

Waarvan proces-verbaal.

De fungerend voorzitter, mr. M.I. ’t Hooft.

De plv. griffier, B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x