Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AX9519
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing aanvraag voor een tegemoetkoming in de aanschafkosten van een elektrische autolift.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/933 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 januari 2004, 03/805 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen (hierna: College).

Datum uitspraak: 3 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. M.A.J. Roelands, advocaat te Etten-Leur, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 maart 2006, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreid overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier, wat de feiten betreft, met het volgende.

Appellante, gehuwd, is ten gevolge van verschillende aandoeningen beperkt in haar mobiliteit. Zij is nagenoeg rolstoelgebonden.

Appellante heeft op 18 april 2002 ter bevestiging een offerte ondertekend van autoschadebedrijf Baarends voor het monteren van een autolift in haar auto voor een bedrag van 6391,49. Deze autolift is op 8 mei 2002 aangebracht.

Zij heeft vervolgens op 4 juni 2002 bij het College in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een aanvraag ingediend voor (een tegemoetkoming in de aanschafkosten van) deze elektrische autolift.

Bij besluit van 25 juni 2002 heeft het College de gevraagde voorziening op grond van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Steenbergen (hierna: Verordening) geweigerd, omdat appellante de kosten heeft gemaakt voor de aanvraagdatum en zij gebruik kan maken van het - primaat genietend - collectief vervoer.

Bij besluit van 25 februari 2003 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 februari 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het College zijn afwijzing op goede grond heeft kunnen baseren op artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Verordening, omdat de gevraagde voorziening was aangebracht voor de aanvraagdatum, appellante zich niet gewend had tot het College om voor het aanpassen voorafgaand aan een beschikking op haar aanvraag toestemming te verkrijgen en niet is gebleken van een dusdanige urgentie dat zij onmiddellijk tot aanschaf had moeten overgaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de (rolstoel)deeltaxi voor appellante een adequate vervoersvoorziening in het kader van de Wvg is.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling worden ingegaan.



Beoordeling

Appellante betwist dat het gebruik van het collectief vervoer in de vorm van een rolstoeldeeltaxi voor haar een adequate vervoersvoorziening is, omdat haar familie, vrienden en kennissen buiten het bedieningsgebied van het collectief vervoer wonen. Daardoor is zij voor het onderhouden van deze sociale contacten aangewezen op het gebruik van haar eigen auto.

Het College acht zich niet gehouden een vervoersvoorziening voor bovenregionaal vervoer te bieden. Appellante kan in de visie van het College voor bovenregionaal vervoer bovendien gebruik maken van het vervoerssysteem Traxx (per 1 april 2004: Valys).

Een gemeentebestuur, zoals het bestuur van de gemeente Steenbergen, is blijkens artikel 3 van de Wvg in ieder geval gehouden om verantwoorde voorzieningen aan te bieden, waaruit volgens vaste jurisprudentie van de Raad voortvloeit dat - voor zover het om vervoer gaat - zodanige voorzieningen moeten worden geboden dat de ter plaatse wonende gehandicapten ten minste in staat worden gesteld om in hun directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Binnen die grenzen staat het een gemeentebestuur vrij te kiezen voor de invoering van enige vorm van prioriteit genietend collectief vervoer, zoals in de Verordening van de gemeente Steenbergen is neergelegd.
Bovenregionaal vervoer valt in beginsel niet onder de minimaal door de gemeente in acht te nemen zorg voor vervoersvoorzieningen. Dit laatste lijdt slechts dan uitzondering indien vanwege de belanghebbende deugdelijk onderbouwd wordt aangetoond (of anderszins voldoende duidelijk is komen vast te staan) dat sprake is van een dusdanig essentieel - enkel door bezoek ter plekke te onderhouden - contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt. Daarvan is de Raad in het geval van appellante niet gebleken. Het enkel vermelden van bovenregionale contacten is daarvoor onvoldoende.

Nu in artikel 3.2, tweede lid, van de Verordening het primaat is toegekend aan het collectief vervoer en, mede gelet op het verhandelde ter zitting van de rechtbank, onbetwist is dat appellante voor het vervoer in de regio gebruik kan maken van het systeem van collectief vervoer in de vorm van een rolstoeldeeltaxi, concludeert de Raad dat de afwijzing van de door appellante gevraagde aanpassing van haar auto door het College in rechte stand houdt. Dat appellante destijds bij de invoering van het systeem van collectief vervoer heeft gekozen voor een jaarlijkse afkoopsom in verband met het gebruik van de eigen auto kan aan het voorgaande niet afdoen, reeds omdat in het - in het besluit op bezwaar gehandhaafde - besluit van 25 juni 2002 appellante de gelegenheid is geboden deze afkoopsom om te zetten in een pas voor het gebruik van het collectief vervoer.

Nu de adequaatheid van het primaat genietend collectief vervoer reeds voldoende grondslag vormt voor de afwijzing van de aanvraag van appellante, behoeft de op artikel 6.3 van de Verordening gebaseerde weigeringsgrond geen bespreking meer. De hierop betrekking hebbende grief laat de Raad daarom onbesproken.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor een proceskostenveroordeling is, gelet hierop, geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2006.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x