Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AY6061
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Datum van ontvangst van het beroepschrift.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/6744 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 2 november 2004, 04/70 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Uden (hierna: College),

Datum uitspraak: 2 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2006. Voor appellant is verschenen J.H. Verkruijsse-Groeneveld en W. Somers. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 10 december 2002 heeft het College de door appellant gevraagde woningaanpassingen in zijn woning afgewezen en hem een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting toegekend tot een bedrag van Ä 1.824,20. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het College bij besluit van 14 augustus 2003 gegrond verklaard op de grond dat niet is onderzocht of sprake is van een aanbod van gelijkvloerse of aangepaste koopwoningen, en zo ja, wat daarvan de consequenties voor de woonlasten zijn. Na hiernaar onderzoek te hebben verricht heeft het College bij besluit van 5 september 2003 de aanvraag opnieuw afgewezen.

Het tegen het besluit van 5 september 2003 gemaakte bezwaar heeft het College met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) naar de rechtbank doorgezonden ter verdere behandeling als beroepschrift.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 5 september 2003 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het beroepschrift, dat appellant persoonlijk heeft laten bezorgen in de brievenbus van de gemeente Uden, eerst op 28 oktober 2003, en derhalve na afloop van de termijn van zes weken, door het College is ontvangen. Het standpunt van appellant, dat zijn beroepschrift op 19 oktober 2003 in de brievenbus van de gemeente Uden is gedeponeerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende aannemelijk gemaakt.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Awb zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Niet in geding is dat het besluit van 5 september 2003 op 8 september 2003 is verzonden, zodat de termijn van zes weken loopt vanaf 9 september 2003 tot en met 20 oktober 2003. In geding is de vraag op welke datum het beroepschrift van appellant geacht wordt te zijn ontvangen door het College.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant in het onderhavige geval niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn beroepschrift, dat gedateerd is op 19 oktober 2003, op die datum in de brievenbus van de gemeente Uden heeft laten deponeren. Nu voorts het beroepschrift door de gemeente Uden op 28 oktober 2003 als ontvangen is gestempeld, kan er naar het oordeel van de Raad, gelet op de aanwezige gegevens, in casu niet vanuit gegaan worden dat appellant het beroepschrift uiterlijk op 20 oktober 2003 in de brievenbus van de gemeente Uden heeft laten bezorgen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat die brievenbus volgens de consistent onderbouwde toelichting van 28 april 2004 van het College iedere ochtend wordt geleegd, dat alle bezwaren, gericht tegen een besluit, nog dezelfde dag worden voorzien van een datumstempel en dat die ingeboekt worden in een postregistratiesysteem. Gebleken noch aannemelijk is dat de gemeente Uden ten tijde in geding niet conform deze wijze de binnengekomen post verwerkte. De Raad verwijst in dat verband ook naar een zich onder de gedingstukken bevindende, en op 15 augustus 2002 gedateerde brief van Stichting Volkshuisvesting Uden aan de gemeente Uden, welke brief blijkens een stempel op 16 augustus 2002 bij die gemeente als binnengekomen post is verwerkt.

Ten aanzien van een na afloop van de termijn van zes weken ingediend beroepschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De aangevoerde omstandigheid dat de gemeente Uden destijds de binnengekomen post niet goed verwerkte en dat poststukken langere tijd bleven liggen alvorens deze te stempelen kan, nog daargelaten dat dit op geen enkele wijze is aangetoond, appellant niet baten nu niet aannemelijk is gemaakt dat het beroepschrift voor het verstrijken van de termijn van zes weken in de brievenbus van de gemeente Uden is gedeponeerd.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ít Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2006.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x