Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AY8638
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Bij het bestreden besluit heeft de gemeente geweigerd betrokkene een bruikleenauto te verstrekken en is zij in aanmerking gebracht voor Vervoer op Maat. Omvang van de zorgplicht bij vervoersvoorzieningen. Het kunnen meenemen van hulpmiddelen (chemisch toilet en tillift).
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/4013 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2004, 03/3826 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 30 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. K.A.M. Korssen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006. Voor appellant is daar verschenen mr. E.B. Prenger. Betrokkene is verschenen bijgestaan door mr. Korssen.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is als gevolg van een langzaam progressief voortschrijdende spierziekte volledig rolstoelafhankelijk. Voor haar vervoer buitenshuis maakt zij gebruik van een bruikleenauto die haar destijds was verstrekt op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Betrokkene dient om de circa anderhalf tot twee uur gebruik te kunnen maken van een toilet. Aangezien zij voor de toiletgang afhankelijk is van een tillift en - onder omstandigheden - een chemisch toilet, neemt zij deze mee in de bruikleenauto.

De zorgplicht voor het vervoer van gehandicapten is per 1 april 1994 overgegaan naar de gemeentebesturen. Aangezien de in 1994 verstrekte bruikleenauto aan vervanging toe is, heeft betrokkene appellant bij aanvraag van 12 februari 2003 om verstrekking van een bruikleenauto op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) verzocht.

Appellant heeft zich over deze aanvraag laten adviseren door de Wvg-adviseur W.M. de Gelder en de medisch adviseur drs. D. Thierens. In hun rapport komt naar voren dat betrokkene, die circa 67 kg weegt en 167 cm lang is, voor haar transfers gebruik maakt van hulp van anderen en van een tillift. Zij heeft (nog) geen problemen wat betreft continentie en moet om de 1,5 tot 2 uur naar het toilet. Geconcludeerd is dat betrokkene zittend in haar rolstoel vervoerd kan worden en dat zij de maximale reistijd van het collectief vervoer, in Rotterdam Vervoer op Maat genoemd (hierna: Vervoer op Maat), kan overbruggen. Voorts is vastgesteld dat betrokkene voor de toiletgang gebruik moet maken van een tillift door een of meer helpers met de hand op het toilet getild dient te worden.

Bij besluit van 19 juni 2003 heeft appellant geweigerd betrokkene een bruikleenauto te verstrekken en is zij in aanmerking gebracht voor Vervoer op Maat.

Appellant heeft het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2003 bij besluit van 26 november 2003 ongegrond verklaard. Appellant stelt zich op het standpunt dat Vervoer op Maat voor betrokkene de goedkoopste adequate voorziening is. De omstandigheid dat zij daarin de tillift en het chemisch toilet niet kan meenemen doet daaraan niet af. Appellant is de mening toegedaan dat het toiletgebruik op de plaats van bestemming niet onder zijn zorgplicht ingevolge de Wvg valt. Appellant heeft daarvoor een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 4 maart 2003, LJN AF7493.

Betrokkene heeft in beroep bestreden dat Vervoer op Maat een adequate vervoersvoorziening is, aangezien deze niet op haar handicap en haar omstandigheden is afgestemd nu deze er niet toe leidt dat zij op aanvaardbare wijze kan deelnemen aan het leven van alledag. Betrokkene heeft gesteld dat de tillift in Vervoer op Maat niet kan worden meegenomen en dat dit wel nodig is, wil zij op de plaats van bestemming naar het toilet kunnen gaan. Het optillen van betrokkene met de hand is gezien haar postuur en gewicht geen optie. Wanneer betrokkene op de plaats van bestemming vrijwel direct weer moet vertrekken om thuis naar het toilet te kunnen gaan kan zij haar sociale contacten onvoldoende onderhouden en dreigt er sociaal isolement. Het beroep op de uitspraak van de Raad van 4 maart 2003 gaat niet op omdat het daarin niet gaat om een tillift.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 november 2003 in de aangevallen uitspraak - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van haar uitspraak. Zij heeft geoordeeld dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet genoegzaam is komen vast te staan dat betrokkene met Vervoer op Maat in voldoende mate in staat wordt gesteld om in de directe woon- en leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Zij heeft daartoe overwogen dat het standpunt van appellant dat de gemeentelijke zorgplicht voor het vervoer van gehandicapten ophoudt op het moment dat de plaats van bestemming is bereikt, in beginsel niet onjuist is. Dit standpunt is volgens haar echter niet langer houdbaar indien in voorkomend geval de vervoersvoorziening zinledig wordt doordat de betrokken gehandicapte binnen zeer korte tijd na aankomst genoodzaakt is om weer naar huis terug te keren omdat zij op het bezoekadres niet van de aldaar aanwezige toiletvoorzieningen gebruik kan maken. Naar haar oordeel kan onder omstandigheden het vervoer van noodzakelijke hulpmiddelen deel uitmaken van de vervoersbehoefte van de gehandicapte. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant nader onderzoek had moeten verrichten naar de voor betrokkene beschikbare alternatieven voor de toiletgang.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het gemeentebestuur op grond van de Wvg slechts gehouden is tot het treffen van adequate vervoersvoorzieningen en dat het vervoer van allerlei hulpmiddelen daar niet onder valt. Bij gebruikmaking van Vervoer op Maat dreigt volgens appellant geen sociaal isolement, omdat betrokkene in de buurt vrienden heeft. Zij kan de uitstapjes, waarvoor zij in het kader van de Wvg een beroep moet doen op Vervoer op Maat, beperken tot circa twee uur, of gebruik maken van een damesurinaal dan wel incontinentiemateriaal.

Betrokkene bestrijdt dat een damesurinaal een oplossing biedt nu zij niet zelfstandig uit de rolstoel omhoog kan komen. Bij een recent bezoek aan het ziekenhuis waren meerdere mensen nodig om haar op te tillen. Het gebruik van incontinentiemateriaal acht zij niet reŽel, welk standpunt zij bevestigd vindt in het advies van de medisch adviseur Thierens.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Vervoersvoorzieningen zijn blijkens artikel 1.1, aanhef en onder d van de Wvg voorzieningen die gericht zijn op het opheffen of verminderen van beperkingen die in de gemeente wonende gehandicapten ondervinden bij vervoer buitenshuis. Ingevolge artikel 3 van de Wvg dienen deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht te zijn. Dit laatste brengt, zoals de Raad reeds vele malen overwogen heeft, mee dat aan de ter plaatse wonende gehandicapten, die daarop aangewezen zijn, zodanige vervoersvoorzieningen dienen te worden aangeboden dat zij in hun naaste woon- en leefomgeving sociale contacten kunnen onderhouden en deel kunnen nemen aan het leven van alledag.

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat appellant in het onderhavige geval onvoldoende heeft onderkend dat de zorgplicht voor vervoersvoorzieningen in de zin van artikel 2, van de Wvg er toe strekt gehandicapten in staat te stellen om, ondanks hun beperkte mobiliteit, in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag in hun directe woon -en leefmilieu. In verband daarmee is het niet per definitie uitgesloten dat ook het kunnen meenemen van essentiŽle, naar objectief medische maatstaf noodzakelijke hulpmiddelen, die in het licht van voormeld doel onontbeerlijk zijn, in bepaalde omstandigheden onder de desbetreffende zorgplicht van de gemeente moet worden begrepen.

Het voorgaande mede in aanmerking genomen is de Raad, gelet op de thans voorhanden gegevens met de rechtbank van oordeel dat het standpunt van appellant dat van betrokkene kan worden gevergd dat zij - zonder tillift - doorgaans gebruik kan maken van een urinaal, dan wel van incontinentiemateriaal in het onderhavige geval moet worden verworpen. Appellant zal dan ook bij een nader te nemen besluit zich moeten beraden op welke wijze voormelde problematiek van betrokkene middels een vervoersvoorziening dient te worden verminderd of opgeheven.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Aangezien de rechtbank het besluit van 26 november 2003 terecht heeft vernietigd dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Appellant zal een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene dienen te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.
De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- voor verleende rechtsbijstand en op Ä 19,32 voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot in totaal Ä 663,32 en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die dient te betalen;
Verstaat dat van de gemeente Rotterdam een griffierecht van Ä 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ít Hooft als voorzitter en R.M. van Male en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2006.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) B.M. Biever- van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x