Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ1360
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-11-2006
Soort procedure: verzet
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het verzet wegens niet-verschoonbare overschrijding van de verzetstermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/443 WVG




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Hertogenbosch van 3 november 2005, 04/3150 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.

Datum uitspraak: 1 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 12 april 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 12 april 2006 heeft appellant bij brief met dagtekening 15 juni 2006 ingekomen ter griffie op 20 juni 2006, respectievelijk per faxbericht, dat op 16 juni 2006 ter griffie is ontvangen, verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006, waar partijen, - appellant met voorafgaand bericht van 1 oktober 2006 - niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Blijkens artikel 8:55, eerste lid, van de Awb zijn onder meer de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Awb van overeenkomstige toepassing op het verzet tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb.

De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken, zoals onder bedoelde uitspraak is aangegeven. Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop een afschrift van de bestreden uitspraak aan de partijen is toegezonden. Een verzetschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen dan wel - bij verzending per post - voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De uitspraak van de Raad van 12 april 2006 is op 26 april 2006 aan partijen verzonden.

Nu de verzetstermijn loopt van 27 april 2006 tot en met 7 juni 2006 stelt de Raad op grond van de onder rubriek I vermelde gegevens vast dat die termijn in het onderhavige geval ruimschoots is overschreden. Dit betekent dat het verzet om die reden niet-ontvankelijk is, tenzij, gelet op artikel 6:11 van de Awb, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In het verzetschrift geeft appellant aan dat de uitspraak van 12 april 2006 door de Raad bij brief van 24 mei 2006 aan hem is toegezonden en dat hij van mening is dat de beroepstermijn duurt tot zes weken na deze datum.

De Raad stelt vast dat de uitspraak van 12 april 2006 bij aangetekende brief van 26 april 2006 aan appellant was verzonden. Op 23 mei 2006 is deze uitspraak door de Raad retour ontvangen met de mededeling "niet afgehaald". Vervolgens is de uitspraak bij brief van 26 mei 2006 opnieuw aan appellant aangeboden. Met deze toezending is evenwel geen nieuwe verzetstermijn gaan lopen. Nu appellant eerst bij schrijven 15 juni 2006 verzet heeft gedaan, is die termijn (die, gelet op artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, en met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, aanving op 27 april 2006 en die eindigde op 7 juni 2006) overschreden.

In hetgeen appellant in het verzetschrift heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om de overschrijding van verzetstermijn verschoonbaar te achten, te minder nu appellant ook na ontvangst van de brief van 26 mei 2006 nog tijdig verzet had kunnen instellen.

Gelet op het voorgaande dient het verzet niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ít Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006.

(get.) M.I. ít Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x