Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ1576
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De enkele - niet nader onderbouwde - stelling van betrokkene dat zij (juist) op de dag dat haar bezwaarschrift gepost had moeten worden door ziekte tot niets in staat was, maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Betrokkene heeft niet aangetoond dan wel anderszins aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was binnen de termijn het bezwaarschrift te posten dan wel een andere daarvoor in aanmerking komende persoon in haar omgeving, zoals haar echtgenoot, dit voor haar te laten doen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/776 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank s-Gravenhage van 30 december 2004, 04/2669 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk (hierna: College).

Datum uitspraak: 1 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Vanwege appellante is hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006. Voor appellante is verschenen mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te s-Gravenhage. Namens het College is verschenen mr. I.M. Kleijn, werkzaam bij de gemeente Noordwijk.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 september 2003, verzonden op 1 oktober 2003, ontvankelijk geacht en ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 18 mei 2004 (het bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In de onderhavige zaak is, zoals bij brieven van 28 augustus 2006 vanwege de Raad aan partijen is aangegeven, primair de ontvankelijkheid van het bezwaar aan de orde.

De tegen het primaire besluit van 26 september 2003 openstaande bezwaartermijn liep in het onderhavige geval van 2 oktober 2003 tot en met 12 november 2003. Het bezwaarschrift, gedateerd 11 november 2003, is door het College ontvangen op 14 november 2003. Volgens de verklaring van appellante is haar bezwaarschrift niet per post verstuurd, maar - een dag na het verstrijken van de termijn - namens haar in de brievenbus van het College gedeponeerd.

Nu het bezwaarschrift is ingediend na afloop van de termijn is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting in aanmerking genomen is de Raad voorts niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan, gelet op artikel 6:11 van de Awb, redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift niet in verzuim is geweest. De enkele - niet nader onderbouwde - stelling van appellante dat zij (juist) op de dag dat haar brief gepost had moeten worden, door ziekte tot niets in staat was, is daartoe onvoldoende. Appellante heeft niet aangetoond dan wel anderszins aannemelijk gemaakt dat ze niet in staat was binnen de termijn het bezwaarschrift te posten dan wel een andere daarvoor in aanmerking komende persoon in haar omgeving, zoals haar echtgenoot, dit voor haar te laten doen.

Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond moet worden verklaard en dat dat besluit dient te worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 september 2003 niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante, begroot op 644,-- in beroep en op 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 mei 2004;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 26 september 2003 niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal 1.288,--, te betalen door de gemeente Noordwijk;
Verstaat dat de gemeente Noordwijk aan appellante het gestorte griffierecht van in totaal 139,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. t Hooft. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006.

(get.) M.I. t Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x