Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ3951
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-11-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen terecht, op de grond dat uit de (nadere) advisering van het RIO blijkt dat de gezondheidstoestand van betrokkene ongewijzigd is, zodat, mede in aanmerkingen genomen de eerdere afwijzingen, de aan betrokkene reeds toegekende voorzieningen, de elektrische rolstoel en het collectief vervoer, nog altijd onverkort adequaat moeten worden geacht. Met betrekking tot het beroep op het Protocol Wvg heeft de gemeente overwogen dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend nu het hier geen bindende regelgeving, maar een beleidsadvies aan de gemeenten betreft.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/6685 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 1 december 2004, reg.nr. 04/610 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College).

Datum uitspraak: 29 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 november 2006. Partijen zijn daar niet verschenen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.

Appellante heeft bij brief van 22 augustus 1994 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een gesloten buitenwagen. De rechtsvoorganger van het College, het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Geleen, heeft deze aanvraag bij besluit van 1 december 1994 afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 juni 1995 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 2 juni 1995 bij uitspraak van 26 januari 1996 ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft, voor zover hier van belang, het hoger beroep tegen de uitspraak van 26 januari 1996 bij uitspraak van 14 februari 1997, reg.nr. 96/2540, ongegrond verklaard.

Appellante heeft op 6 mei 1997 opnieuw een gesloten buitenwagen aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 25 mei 1998 afgewezen. Het hiertegen bij brief van 5 juni 1998 gemaakte bezwaar is - uiteindelijk - bij besluit van 30 januari 2001 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 30 januari 2001 heeft de president van de rechtbank Maastricht bij uitspraak van 16 februari 2001 ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft bij uitspraak van 21 november 2002, reg.nr. 01/1210, voor zover hier van belang, de uitspraak van de president van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 30 januari 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
De Raad heeft in die uitspraak onder meer vastgesteld dat de arts T.M.D.L. Pelzer, verbonden aan het Regionaal Indicatieorgaan (RIO), op 16 januari 2001 gerapporteerd heeft dat appellante, gelet op de in dat rapport neergelegde onderzoeksbevindingen, uitsluitend geïndiceerd is voor een elektrische rolstoel en collectief vervoer. Voorts is vastgesteld dat deze arts een gesloten buitenwagen voor appellante gevaarlijk en onverantwoord vindt. De Raad heeft blijkens die uitspraak geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van deze bevindingen te twijfelen.
Aan appellante is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg een elektrische rolstoel verstrekt. Daarnaast is zij in aanmerking gebracht voor deelname aan het collectief vervoer Mobicar.

Appellante heeft op 6 januari 2003 opnieuw een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen aangevraagd, ditmaal met verwijzing naar het zogenoemde Wvg-Protocol van 25 maart 2002.
Het College heeft die aanvraag bij besluit van 31 juli 2003 afgewezen en heeft het bezwaar hiertegen bij besluit van 26 maart 2004 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat uit de (nadere) advisering van het RIO van 7 juli 2003 blijkt dat de gezondheidstoestand van appellante ongewijzigd is, zodat, mede in aanmerkingen genomen de eerdere afwijzingen, de aan appellante reeds toegekende voorzieningen, de elektrische rolstoel en het collectief vervoer, nog altijd onverkort adequaat moeten worden geacht. Met betrekking tot het beroep op het Wvg-Protocol heeft het College overwogen dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend nu het hier geen bindende regelgeving, maar een beleidsadvies aan de gemeenten betreft. In dit verband is verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2003, LJN AO0526. De in het protocol opgenomen aanbevelingen hadden ten tijde van belang nog niet geleid tot wijziging van het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het bepaalde bij en krachtens de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Sittard-Geleen 2001. Deze verordening is eerst met ingang van 1 januari 2005 vervangen door de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Sittard-Geleen 2005.

Bij het verweerschrift, bij brief van 15 juli 2004 en ter zitting bij de rechtbank heeft het College - gedocumenteerd onderbouwd - aangegeven dat het Wvg-Protocol geen onderdeel uitmaakt van het gemeentelijk beleid inzake de Wvg. Daarbij is de - in het besluit op bezwaar van 26 maart 2004 vermelde - toepasselijke regeling overgelegd.

Hetgeen appellante bij de rechtbank schriftelijk en mondeling heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat het Wvg-Protocol een vervolg heeft gekregen in een beleidsnotitie en aan de orde is geweest in de raadsvergadering van 3 en 4 november 2004, dat de medische informatie die de RIO-arts heeft ingewonnen zich niet in het dossier bevindt en dat geen kostenvergelijking heeft plaatsgevonden ten aanzien van de gewenste voorziening en de toegekende voorzieningen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 maart 2004 in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Bij die uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen, zijn de aangevoerde beroepsgronden, onder meer met verwijzing naar de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad van 21 november 2002 en van 19 november 2003, verworpen.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de gesloten buitenwagen niet is aangevraagd op grond van een gewijzigde medische situatie maar op grond van het Wvg-Protocol. Voorts is gesteld dat de rechtbank ten onrechte is afgegaan op de toelichting van het College dat nog geen implementatie heeft plaatsgevonden. Verwezen is naar de besluitenlijst van de raadsvergadering van 3 en 4 november 2004. Tenslotte is aangevoerd dat het College ten onrechte medische stukken niet aan het dossier heeft toegevoegd.

Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 26 maart 2004 neergelegde standpunt, te weten dat het Wvg-Protocol ten tijde van belang nog niet had geleid tot wijziging van het gemeentelijk beleid. Voorts zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt vast dat hetgeen namens appellante in hoger beroep naar voren is gebracht neerkomt op een herhaling van hetgeen in beroep bij de rechtbank is aangevoerd. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank daarover en maakt de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen tot de zijne. Hij voegt daaraan toe dat de grief van appellante over het niet overleggen van medische stukken faalt, reeds omdat tussen partijen niet in geschil is dat de medische situatie van appellante sedert de eerdere afwijzingen niet is gewijzigd. Voorts wijst hij erop dat de in voormelde uitspraak van 19 november 2003, LJN AO0526 neergelegde jurisprudentie door de Raad in 2004 en daarna onverkort is voortgezet (onder meer in zijn uitspraken van 18 februari 2004, LJN AO4037 en 3 maart 2004, LJN AO5674).

Alhoewel door het College niet is verzocht om appellante te veroordelen tot vergoeding van proceskosten spreekt de Raad, in dit geding ten overvloede, als zijn oordeel uit dat het instellen van hoger beroep in een geval als het onderhavige, waarin het de gemachtigde van appellante volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat het instellen van hoger beroep kansloos zou zijn, grenst aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen termen aanwezig acht om het College te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en R.M. van Male en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) E. Heemsbergen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x