Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ7153
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto, op de grond dat de combinatie van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een gewone taxi of eigen auto en een scootmobiel de goedkoopste adequate vervoersvoorziening is voor betrokkene.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 04/3761 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2004, 03/3719 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College.

Datum uitspraak: 10 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Het College heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. dr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene is een nader stuk ingezonden waarop namens het College, onder gelijktijdige inzending van stukken, is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006. Voor appellant is daar verschenen mr. N. Wohlgemuth Kitslaar, als advocaat werkzaam in dienst van de gemeente Amsterdam. Betrokkene is daar verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om betrokkene de gelegenheid te geven om een nieuwe aanvraag in te dienen teneinde het College in staat te stellen om binnen een termijn van twee maanden een nader besluit te nemen, een en ander onverminderd de mogelijkheid van partijen om een minnelijke schikking te treffen.

Betrokkene heeft een op 27 april 2006 gedateerde nieuwe aanvraag gedaan, waarop het College, na ingewonnen advies bij CIZ, bij besluiten van 18 en 28 augustus 2006 heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 29 november 2006. Het College heeft zich daar wederom laten vertegenwoordigen door mr. Wohlgemuth Kitslaar. Betrokkene is wederom verschenen, bijgestaan door mr. dr. Vermaat.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.

Betrokkene heeft een orthopedische aandoening en een interne aandoening, als gevolg waarvan hij ernstige beperkingen ondervindt bij het zich verplaatsen. Op 18 maart 2002 heeft hij op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een bruikleenauto.

Het Regionaal Indicatie Orgaan Tot&Met, vast adviseur van het College, heeft op 6 en 10 juni 2002 advies uitgebracht. Geoordeeld is dat het aannemelijk is dat betrokkene vanwege zijn immobiliteit meer hinder ondervindt van koude, maar dat er geen medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden. Blootstelling aan koude leidt niet tot gezondheidsschade. Collectief vervoer is niet geschikt, maar betrokkene kan wel gebruik maken van een gewone taxi en een scootmobiel met goed zitcomfort. Tevens is, gezien de bijzondere situatie, in overweging gegeven om een extra vervoersvoorziening te treffen voor het bezoek van betrokkene aan zijn schoonzoon, die is opgenomen in revalidatiecentrum De Trappenberg te Huizen, omdat dit een voor betrokkene essentieel contact is.

Het College heeft de aangevraagde bruikleenauto bij besluit van 8 juli 2002 geweigerd op de grond dat de combinatie van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een gewone taxi of eigen auto en een scootmobiel de goedkoopste adequate vervoersvoorziening is voor betrokkene.

Naar aanleiding van het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit heeft Tot&Met op 23 april 2003 een nader advies uitgebracht, inhoudende dat koude en vocht bij
betrokkene niet tot gezondheidsschade leiden, waarbij is aangegeven dat de behandelend arts H.Th. Gerrits het daarmee eens is.

Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 juli 2002 bij besluit van 8 juli 2003 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat er geen medische noodzaak is voor bescherming van betrokkene tegen weersinvloeden. Met betrekking tot de maatstaf “bescherming tegen weersinvloeden” is verwezen naar het ter zake hiervan gevoerde beleid. Verder is overwogen dat het College geen zorgplicht heeft voor bezoeken van betrokkene aan zijn schoonzoon.

Betrokkene is tegen dat besluit in beroep gekomen. Aangevoerd is, voor zover thans van belang, dat het College een onjuist criterium aanlegt door toekenning van gesloten vervoer alleen geďndiceerd te achten wanneer blootstelling aan koude gezondheidsschade oplevert. Betrokkene heeft last van blootstelling aan kou en vocht in die zin, dat dit leidt tot pijn- en stijfheidsklachten. De eis stellen dat een gesloten vervoersvoorziening alleen geďndiceerd is wanneer gezondheidsschade optreedt, is naar de mening van betrokkene een te beperkende maatstaf, nu het er in het kader van de Wvg om gaat of een gehandicapte op medische gronden op een bepaalde vervoersvoorziening is aangewezen.

De rechtbank heeft - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 8 juli 2003 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met in achtneming van haar uitspraak. Zij heeft het beleid met betrekking tot de bescherming tegen weersinvloeden aldus begrepen dat weersinvloeden niet alleen een tijdelijke belemmering voor de betrokken gehandicapte moeten vormen, maar dat zij daarnaast moeten leiden tot objectief vaststelbare medische gevolgen, dan wel tot verergering van de klachten die lange tijd aanhouden na de blootstelling aan de koude. Daarvan uitgaande is zij tot het oordeel gekomen dat het beleid van het College in strijd met de wet moet worden geacht. Zij heeft daartoe vastgesteld dat het College, door deze eis te stellen, een categorie personen, die zonder twijfel door weersomstandigheden onoverkomelijke belemmeringen ervaren als rechtstreeks gevolg van hun ziekte of gebrek in de vorm van pijn dan wel verstijving of andere lichamelijke reacties van tijdelijke duur, de toegang tot de voorziening als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Amsterdam ontzegt. Bij de toepassing van dit beleid is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat een gehandicapte, ondanks het ontbreken van het risico van blijvende of langdurige gezondheidsschade, tengevolge van de door hem ervaren functionele beperkingen ten gevolge van weersomstandigheden in structurele zin wordt belemmerd in zijn mogelijkheden om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het College in het nieuwe besluit op bezwaar een gemotiveerde beslissing dient te nemen over een financiële tegemoetkoming voor het bezoek van betrokkene aan zijn schoonzoon.

Het College heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Ontkend wordt dat sprake is van een categorie van personen die - alhoewel medisch daarop aangewezen - structureel wordt afgehouden van een bruikleenauto. De door de rechtbank ondeugdelijk geachte criteria zijn opgesteld door bij uitstek deskundige artsen van Tot&Met ter nadere invulling van de beleidsmaatstaf “bescherming tegen weersinvloeden”. Deze invulling blijft binnen de beleidsvrijheid die de Wvg aan de gemeente laat bij de uitvoering van die wet. De rechtbank heeft deze invulling ten onrechte niet marginaal getoetst. Gelet hierop is de aangevraagde bruikleenauto, in aanmerking genomen de medische advisering door Tot&Met, terecht geweigerd. Met betrekking tot het vervoer van betrokkene naar zijn schoonzoon is het College het nadere standpunt toegedaan dat daarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden toegekend.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt eerst vast dat de besluiten van 18 en 28 augustus 2006 voortvloeien uit een nieuwe aanvraag en - uitgaande van een actuele beoordeling van de medische situatie in juli 2006 - berusten op het op die twee data geldende recht en beleid. Gelet hierop kunnen deze besluiten niet worden aangemerkt als besluiten, als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die op grond van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb in het op het besluit van 23 april 2003 betrekking hebbende hoger beroep moeten worden betrokken.

Ter beoordeling staat derhalve, in aanmerking genomen de tegen de aangevallen uitspraak gerichte beroepsgronden van het College, of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van 23 april 2003 wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.

De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wvg bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder vervoersvoorziening wordt verstaan: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt.

Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvg bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gehandicapte wordt verstaan: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe bij verordening regels dient vast te stellen.

Aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg is in de gemeente Amsterdam uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening gehandicapten (hierna: Verordening).

Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening verstrekken in de vorm van een al dan niet aangepaste voorziening in de vorm van een bruikleenauto of een gesloten buitenwagen.

Blijkens de Beleidsregels Wet voorzieningen gehandicapten van het College (hierna: Beleidsregels) is een bruikleenauto het sluitstuk van de gemeentelijke vervoersvoorzieningen aangezien deze in vrijwel alle gevallen een duurdere optie is dan (een combinatie van) andere vervoersvoorzieningen. Deze optie komt alleen aan de orde wanneer andere adequate voorzieningen niet mogelijk zijn. De Beleidsregels bepalen verder dat een gehandicapte alleen dan voor een gesloten buitenwagen in aanmerking komt wanneer er een medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden. Interpretatie van het begrip “bescherming tegen weersinvloeden” heeft geleid tot het formuleren van medische criteria door de artsen van de Stichting Tot en Met.
Deze criteria zijn:
- de aanvrager ondervindt gezondheidsschade door weersinvloeden, waarbij beschermende kleding alleen niet voldoende is om dit te compenseren;
- gezondheidsschade kan worden voorkomen of gecompenseerd door bij iedere verplaatsing buitenshuis gebruik te maken van overdekt vervoer;
- aandoeningen die leiden tot functionele beperkingen die nog lange tijd aanhouden nadat expositie aan koude reeds voorbij is.

De Raad is van oordeel dat de in deze Beleidsregels opgenomen criteria “gezondheidsschade” en “functionele beperkingen die nog lange tijd aanhouden” strijdig zijn met de in artikel 1 van de Wvg opgenomen definities van de begrippen gehandicapte en vervoersvoorziening, nu het voor het in aanmerking kunnen komen voor vervoervoorzieningen voldoende is dat tengevolge van ziekte of gebrek, naar objectief medische maatstaf, aantoonbare beperkingen worden ondervonden bij het zich vervoeren buiten de woning. De tekst van artikel 1 van de Wvg, noch de wetsgeschiedenis laat ruimte voor een restrictieve uitleg als in de Beleidsregels bedoeld.

De grief dat de in de Beleidsregels gestelde criteria binnen de beleidsvrijheid blijven die de Wvg aan de gemeentebesturen heeft overgelaten, treft geen doel. De Raad overweegt daartoe dat de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg bedoelde regelingsopdracht om de gemeentelijke zorgplicht nader in te vullen geen afbreuk kan doen aan de bepalingen van de wet zelf. Hij wijst er op dat de in artikel 1 van de Wvg bedoelde begripsdefinities niet alleen van betekenis zijn voor de wet zelf, maar ook voor de krachtens de Wvg vastgestelde regels. Dit betekent dat het College ter zake hiervan geen beleidsruimte toekomt en dat er, anders dan door het College is betoogd, voor de rechter geen reden is om de Beleidsregels in zoverre marginaal te toetsen.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om het College te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Deze worden begroot op € 805,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, en € 30,24 voor door betrokkene gemaakte reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van in totaal € 835,24,--;
Gelast dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en R.M. van Male en
G.M.T. Berkel-Kikkert als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) S.R. Bagga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x