Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ8610
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een duwrolstoel en een begeleiderspas collectief vervoer, omdat betrokkene niet rechtmatig verblijf houdt in Nederland en er met betrekking tot de begeleiderspas tevens geen medische noodzaak is voor begeleiding tijdens het (collectief) vervoer. Is er sprake van een bijzonder geval?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2285 WVG en 05/2343 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2005, 04/1196 en 04/1197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Druten (hierna: College).

Datum uitspraak: 7 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.A. Venema, advocaat te Rijsbergen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn bij brief van 1 november 2006 nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.A. Venema. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante, afkomstig uit Servi en Montenegro, heeft op 27 april 1999 verzocht toegelaten te worden als vluchteling. Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op grond van het bepaalde in de artikelen 28 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 aan appellante met ingang van 27 april 1999, geldig tot 27 april 2002, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en met ingang van 27 april 2002 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend.

Appellante, die volledig rolstoelgebonden is, beschikt over een elektrische rolstoel. Zij heeft bij het College in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) aanvragen ingediend voor een duwrolstoel en een begeleiderspas voor het - aan haar door het College bij een eerder besluit toegekende - collectief vervoer.

Bij besluit van 4 december 2002 heeft het College de aanvraag voor een duwrolstoel afgewezen. De aanvraag voor een begeleiderspas voor het collectief vervoer is bij besluit van 30 juni 2003 eveneens afgewezen.

Bij een tweetal besluiten van 13 april 2004 heeft het College de tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het besluit over de aanvraag voor een duwrolstoel is uitsluitend, en het besluit met betrekking tot de begeleiderspas is subsidiair gebaseerd op het standpunt dat appellante ingevolge artikel 4 van de Wvg niet in aanmerking komt voor voorzieningen ingevolge die wet, omdat zij niet rechtmatig verblijf houdt in Nederland en evenmin op grond van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz gelijkgesteld wordt met een Nederlander. De afwijzing van de begeleiderspas steunt tevens op de grond, dat er geen medische noodzaak is voor begeleiding tijdens het (collectief) vervoer.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 13 april 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 4 van de Wvg aan toekenning in de weg staat.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij wel voldeed aan de voorwaarden van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvg, omdat zij rechtmatig verblijf hield op grond van artikel 8 van de Vreemdelingenwet.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wvg kan een vreemdeling voor de in artikel 2, eerste lid, van die wet bedoelde voorzieningen slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
(...)
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;
(...)

Het besluit van 19 augustus 2004 van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft tot gevolg dat appellante, beoordeeld naar de in dit geding relevante periode van 26 juni 2002 (datum aanvraag duwrolstoel) respectievelijk 22 mei 2003 (datum aanvraag begeleiderspas) tot en met 13 april 2004 (datum besluiten op bezwaar), achteraf bezien wel rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 8, aanhef en onder c en d, van de Vreemdelingenwet 2000, en dat het door het College ingenomen standpunt dus niet als juist kan worden aanvaard. De omstandigheid dat de rechtmatigheid van het verblijf van appellante hier te lande eerst op basis van stukken achteraf is vastgesteld, maakt dat niet anders.

Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Het besluit van 13 april 2004 met betrekking tot de duwrolstoel kan wegens strijd met artikel 4 van de Wvg geen stand houden. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 13 april 2004 met betrekking tot de duwrolstoel vernietigen. Het College zal en nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

De Raad ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen voor een beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de begeleiderspas. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal hij beoordelen of het besluit op bezwaar van 13 april 2004 met betrekking tot de begeleiderspas in rechte stand kan houden.

Het College hanteert bij de verstrekking van een begeleiderspas het uitgangspunt dat er een medische noodzaak moet zijn voor begeleiding tijdens het (collectief) vervoer. Op dit uitgangspunt is een uitzondering gemaakt voor personen die gebruik maken van een duwrolstoel en niet beschikken over een elektrische rolstoel. Naar het oordeel van de Raad is het College met dit beleid niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden.

Tussen partijen staat vast dat begeleiding van appellante bij gebruik van het collectief vervoer medisch niet noodzakelijk is. Tevens staat vast dat appellante niet behoort tot de hiervoor bedoelde categorale uitzondering.

Niettemin kunnen (ook) in individuele gevallen bijzondere omstandigheden noodzaken tot een afwijking van het uitgangspunt, dat er een medische noodzaak voor begeleiding tijdens het collectief vervoer moet zijn. Naar het oordeel van de Raad is hiervan ten tijde in geding in het onderhavige geval sprake. Daarbij heeft de Raad het volgende van belang geacht.

Uit het rapport van 23 juni 2003 van de medisch adviseur van het College blijkt dat appellante volledig rolstoelgebonden is en bij vrijwel alles hulp nodig heeft. De hulp wordt gewoonlijk geboden door haar moeder; met name voor hulp bij de toiletgang - zij is niet incontinent - is zij op haar moeder aangewezen.
Appellante heeft reeds in de bezwaarprocedure aangegeven dat het gebruik van het haar toegekende collectief vervoer bij het ontbreken van een begeleiderspas illusoir is, omdat zij bij verblijf van enige duur op de plaats van bestemming, zoals bij het volgen van taalles, vanwege toiletbezoek op de hulp van haar moeder is aangewezen en haar moeder niet in staat is tegen betaling mee te reizen.

Het College heeft hierin geen aanleiding gezien om van het vereiste van een medische noodzaak voor begeleiding tijdens het vervoer af te zien en heeft daartoe mede van belang geacht dat het haar moeder vrij staat tegen betaling met het collectief vervoer mee te reizen.

Het College heeft echter niet onderkend dat het tegen betaling (van het volle tarief) meereizen in dit bijzondere geval in de periode waarop dit geding betrekking heeft geen rele optie was, nu ter zitting onweersproken door appellante is gesteld dat zij en haar moeder in die periode slechts een asielzoekersuitkering van ongeveer 220,-- per persoon per maand ontvingen en geen beroep konden doen op de Algemene bijstandswet, terwijl een gemiddelde rit met het collectief vervoer ongeveer 11,-- per keer kostte.

Gelet op het voorgaande kan ook het besluit van 13 april 2004 met betrekking tot de begeleiderspas wegens strijd met de wet geen stand houden. Dit besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het College zal over de begeleiderspas een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

De Raad ziet, gelet hierop, aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 1.610,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart beide beroepen tegen de twee besluiten op bezwaar van 13 april 2004 gegrond;
Vernietigt de beide besluiten op bezwaar van 13 april 2004;
Bepaalt dat het College nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 1.610,-- te betalen door de gemeente Druten aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Druten aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 177,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2007.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) S.R. Bagga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x