Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ9680
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een (extra) handbewogen rolstoel, op de grond dat een medische noodzaak daarvoor ontbreekt. Uit de gedingstukken is niet gebleken van een medische noodzaak op grond waarvan betrokkene, naast de haar reeds toegekende voorzieningen, tevens aanspraak heeft op een (extra) handbewogen rolstoel.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3929 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem, 05/1137 en 05/1463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede (hierna: College).

Datum uitspraak: 14 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006. Voor appellante is verschenen mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E. Hopman.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, die ten tijde in geding onder meer de beschikking had over thuiszorg, een handbewogen rolstoel, een trippelstoel en vervoer per deeltaxi, heeft het College verzocht om verstrekking van een elektrische rolstoel omdat het frequent voortbewegen van haar rolstoel haar te zwaar werd. Na advies van het Regionaal Indicatie Orgaan (hierna: RIO) van 15 juli 2004 heeft het College bij besluit van 19 juli 2004 appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) in aanmerking gebracht voor een aanpassing van haar rolstoel door deze uit te rusten met een afneembare elektrische hulpmotor.

Bij brief van 28 juli 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 juli 2004 waarbij zij heeft aangegeven dat zij heeft beoogd om naast haar handbewogen rolstoel een gemotoriseerde rolstoel aan te vragen. Door haar handbewogen rolstoel uit te rusten met een elektromotor kan zij niet meer beschikken over een meeneembare rolstoel.

In het kader van de behandeling van het bezwaar van appellante heeft het RIO nader geadviseerd. Op 5 oktober 2004 heeft de indicatieadviseur van het RIO, J. Visser (hierna: Visser) appellante thuis bezocht en geconcludeerd dat de van een elektromotor voorziene rolstoel zowel in als buiten de woning voldoet. Appellante heeft dit bevestigd, maar aangegeven dat zij naast haar aangepaste rolstoel behoefte heeft aan een lichte opvouwbare handbewogen rolstoel.

Het College heeft bij besluit van 16 november 2004 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juli 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College zich op het standpunt gesteld dat appellante met de toegekende aanpassing van haar rolstoel, in combinatie met de deeltaxi - waarin die rolstoel kan worden vervoerd - in staat moet worden geacht zich zowel in als buiten de woning adequaat te verplaatsen en deel te nemen aan het leven van alledag in haar directe leefomgeving. Ten slotte heeft het College aangegeven dat op de aanvraag van een duwrolstoel zo spoedig mogelijk een beslissing zal worden genomen.

Tegen het besluit van 16 november 2004 heeft appellante geen beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 december 2004 heeft het College, na een advies van het RIO van 30 november 2004, de aanvraag van een extra handbewogen rolstoel afgewezen op de grond dat een medische noodzaak daarvoor ontbreekt.

Bij besluit van 1 april 2005 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 december 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 1 april 2005 ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van onder meer rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten, en dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de Wvg is bepaald bij verordening daartoe regels dient vast te stellen. Ter uitvoering van die bepaling heeft de raad van de gemeente Heemstede de Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Verordening) vastgesteld.

Artikel 4.1, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat de te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit een rolstoel voor verplaatsing binnen, dan wel voor verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, dan wel een aanpassing daaraan. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening kan een gehandicapte voor een rolstoel in aanmerking worden gebracht wanneer de aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek in belangrijke mate zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen, die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een onvoldoende oplossing bieden.

Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken van een medische noodzaak op grond waarvan appellante, naast de haar reeds toegekende voorzieningen, tevens aanspraak heeft op een (extra) handbewogen rolstoel. Het College heeft de afwijzing van de aanvraag van die rolstoel derhalve terecht gehandhaafd.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) S.R. Bagga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x