Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
AZ9896
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkenen in aanmerking te brengen voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding, op de grond dat geen voorziening wordt toegekend wanneer de gehandicapte (in casu de zoon van betrokkenen) in een AWBZ-instelling verblijft. Nu de belemmeringen van de zoon van betrokkenen het treffen van een voorziening langdurig noodzakelijk maken, heeft de gemeente de gevraagde verhuiskostenvergoeding ten onrechte geweigerd.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/2227 WVG en 05/2259 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2005, 04/1867 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkenen], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkenen),

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


1.1 Namens appellant heeft mr. M.H. Kuipers, werkzaam bij de Servicedienst van de gemeente Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

1.2 Betrokkenen hebben een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Voor appellant is daar verschenen mr. S.B.H. Fijneman. Betrokkenen zijn verschenen, bijgestaan door N. van Nierop, werkzaam bij MEE Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


2. De Raad gaat uit van de volgende, tussen partijen niet in geschil zijnde, feiten en omstandigheden.

2.1 Betrokkenen bewonen een appartement op de bovenste verdieping van een flatgebouw aan [adres 1] in Rotterdam. Zij hebben twee kinderen: Amir, geboren in 1993 en zijn jongere broer Majid, geboren in 1995. Amir heeft ernstige gedragsstoornissen. Hij is verstandelijk gehandicapt, hyperactief en autistisch. Hij is vanaf zijn zesde levensjaar opgenomen geweest in AWBZ-instellingen; eerst in de Effathagroep in Zoetermeer, aansluitend in ASVZ (KDC Lombardijen). In laatstgenoemde instelling kon onvoldoende toezicht plaatsvinden, waardoor hij daar niet langer kon verblijven. Betrokkenen hebben besloten zelf te voorzien in de noodzakelijke zorg en begeleiding van Amir. Daarvoor is een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend. Voorts is hen aan [adres 2], in de onmiddellijke omgeving van hun woning aan [adres 1], voor de opvang van Amir een tweede huurwoning aangeboden.
Op 19 juni 2003 is het huurcontract ondertekend. Aansluitend is de woning aan [adres 2] ingericht en beveiligd. Amir heeft van 1 juli 2003 tot de derde week van juli 2003 thuis aan [adres 1] gewoond. Daarna is hij met hulp van uit het pgb bekostigde begeleiding in de woning aan [adres 2] gaan wonen. In de gemeentelijke basisadministratie heeft Amir steeds op het adres van zijn ouders ingeschreven gestaan.

2.2 Betrokkenen hebben op 29 mei 2003 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) voor de verhuizing van Amir naar de woning aan [adres 2] een woonvoorziening aangevraagd in de vorm van een verhuiskostenvergoeding.

2.3 Appellant heeft de gevraagde verhuiskostenvergoeding bij besluit van 2 juli 2003 geweigerd op de grond dat geen voorziening wordt toegekend wanneer de gehandicapte in een AWBZ-instelling verblijft.

2.4 Het tegen het besluit van 2 juli 2003 gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 mei 2004 ongegrond verklaard. Appellant stelt zich op het standpunt dat Amir ten tijde van de aanvraag in een AWBZ-instelling verbleef zodat de aanvraag terecht op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg is afgewezen. Appellant heeft daarnaast onderkend dat Amir ten tijde van het besluit van 2 juli 2003 thuis verbleef. Hij heeft dit verblijf echter niet maatgevend geacht omdat het bedoeld is geweest als tijdelijk in afwachting van het betrekken door Amir van de woning aan [adres 2]. Niettemin heeft appellant uit een oogpunt van redelijkheid en zorgvuldigheid door een Wvg-adviseur laten beoordelen of de woning aan [adres 1] voor Amir adequaat is. Deze adviseur is tot de conclusie gekomen dat dit het geval is nu deze woning gelijkvloers is en het traplopen voor Amir geen problemen oplevert. Appellant heeft deze bevindingen overgenomen. Hij is tot de conclusie gekomen dat Amir in de woning aan [adres 1] geen belemmeringen ondervindt die het treffen van de gevraagde woonvoorziening noodzakelijk maken.

2.5 De rechtbank heeft, met een bepaling over het griffierecht, het beroep tegen het besluit van 17 mei 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:
“Eisers hebben (...) onder meer het volgende aangevoerd. De ouderlijke woning aan [adres 1] bevindt zich op de vierde verdieping, de woning heeft een open trappenhuis en Amir, die geen gevaar kent, wil over de hekjes klimmen en naar beneden springen. De woning is te klein voor een kind dat hyperactief is, omdat er bijvoorbeeld geen uitraaskamer is. De ramen en deuren van de woning kunnen niet open, Amir wil dan direct naar buiten springen, dit maakt het ’s zomers erg warm, mede gelet op het feit dat de woning direct onder een plat dak is.
Volgens verweerder gaat het niet zozeer om woontechnische kenmerken, maar kunnen de genoemde gevaren en beperkingen veeleer ontstaan door gebrek aan toezicht op Amir.
De rechtbank deelt de visie van verweerders niet. Dat Amir geen moment zonder toezicht kan, is juist één van zijn (naar objectieve maatstaf aanwezige) beperkingen die in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met het woontechnische kenmerk dat de woning zich op de vierde verdieping bevindt. De woning aan [adres 2] bevindt zich op de begane grond, zodat deze beperking verminderd wordt door verhuizing naar deze woning. Ook onvoldoende ruimte wordt door de rechtbank gezien als een woontechnisch kenmerk.
Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de woning aan [adres 1] niet geschikt is voor bewoning door beide zoons van eisers, omdat de woning daarvoor te klein is en te weinig aparte kamers heeft, eveneens een kenmerk van woontechnische aard is dat in rechtstreeks oorzakelijk verband staat tot de beperking van Amir dat hij snel overprikkeld raakt van zijn broertje.”
De rechtbank is niet getreden in een beoordeling van de grond dat geen recht bestaat op een woonvoorziening op de grond dat Amir in een AWBZ-instelling verblijft, omdat dit een ter zitting ingenomen standpunt is dat naar haar mening te zeer afwijkt van het bestreden besluit.

2.6 Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Aangevoerd is dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de grond dat Amir in een AWBZ-instelling verbleef. Dit primaire standpunt van appellant is neergelegd in het bestreden besluit. Het is niet juist dat dit standpunt eerst ter zitting naar voren is gebracht. Voorts is naar voren gebracht dat het verblijf van Amir in de ouderlijke woning met ingang van 1 juli 2003 bedoeld is geweest als tijdelijk, zodat daaraan bij de beoordeling van het recht op een verhuiskostenvergoeding voorbij dient te worden gegaan. Daartoe is een beroep gedaan op een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 30 januari 1986, Judok R03845896.

2.7 Betrokkenen hebben gepersisteerd bij hun standpunt dat Amir op 1 juli 2003 in de ouderlijke woning woonde omdat hij niet langer in de AWBZ-instelling kon verblijven en dat die woning voor Amir ongeschikt is. Het standpunt van appellant dat die woning wel geschikt was berust niet op een beoordeling van de situatie daar door middel van een huisbezoek.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1 De grief dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan het standpunt van appellant dat betrokkenen geen recht hebben op de aangevraagde woonvoorziening omdat Amir in een AWBZ-instelling verblijft treft doel. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is dit standpunt niet eerst ter zitting naar voren gebracht. Uit het besluit van 17 mei 2004 blijkt genoegzaam dat appellant in zoverre geen afstand heeft genomen van het primaire besluit van 2 juli 2003.

3.2 Op grond van het navolgende wordt daaraan echter niet de consequentie verbonden dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

3.3 Artikel 2 van de Wvg luidde ten tijde van belang als volgt:
“1. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij en krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 392) is toegelaten.
3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot het tweede lid afwijkende regels stellen.”

3.4 Van de in artikel 2, derde lid, van de Wvg bedoelde bevoegdheid is, voor zover het om woonvoorzieningen in de vorm van een verhuiskostenvergoeding gaat, geen gebruik gemaakt.

3.5 De Raad is van oordeel dat het beroep van het College op artikel 2, tweede lid, van de Wvg in het onderhavige geval geen doel treft. Amir verbleef ten tijde van het primaire besluit niet in een AWBZ-instelling. Hij woonde toen bij zijn ouders aan [adres 1], hij werd daar verzorgd en hij stond daar ook ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie. In het onderhavige geval betekent dit, mede in aanmerking genomen de overige feiten en omstandigheden, dat voor de beoordeling of naar objectieve medische maatstaf beperkingen werden ondervonden in de woning acht dient te worden geslagen op de situatie in de woning aan [adres 1]. Het beroep van het College op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 30 januari 1986, Judok R03845896, brengt de Raad niet tot een ander inzicht, reeds omdat deze uitspraak geen betrekking heeft op de toepassing van de Wvg.

3.6 Met betrekking tot de vraag of bij de woning aan [adres 1] belemmeringen zijn ondervonden die het treffen van een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen, overweegt de Raad het volgende.

3.7 Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag, gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVG, het vereiste van ergonomische beperkingen niet worden gesteld als het gaat om een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Bij een verhuiskostenvergoeding moet wel sprake zijn van een medische noodzaak voor verhuizing. Dit vereiste komt er op neer dat sprake moet zijn van een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die de gehandicapte bij het normale gebruik van zijn bestaande, te verlaten, woning ondervindt. Het moet dan gaan om naar objectieve medische maatstaf aanwezige beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die een op opheffing of vermindering daarvan gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. In zijn uitspraak van 4 februari 2004, LJN AO3543 [gepubliceerd in USZ 2004/91; zie ook RSV 2004/98, red.] heeft de Raad tevens overwogen dat voor het bij een woonvoorziening als de onderhavige gehanteerde criterium van een medische noodzaak als aanvullend vereiste geldt dat van beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVG alleen dan sprake is, indien er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, met dien verstande dat die beperkingen in de woning zelf moeten worden ondervonden.

3.8 Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een verband in hiervoor bedoelde zin tussen de door Amir ondervonden beperkingen en de bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning aan [adres 1]. De Raad gaat daarbij uit van de beschikbare medische gegevens, in het bijzonder de uit 2001 daterende rapportage van de Wvg-adviseur M. Brederode. In deze rapportage wordt uitgegaan van de diagnose verstandelijke handicap, ADHD met hyperactiviteit en autisme. Alhoewel er volgens de adviseur geen ergonomische belemmeringen zijn is er wel behoefte aan een uitraaskamer. Uit de stukken, in het bijzonder uit een nader rapport van 19 januari 2004, blijkt niet dat dit nadien anders was, omdat blijkens de weergave van dat rapport, enkel wordt gesteld dat de woning aan [adres 1] geschikt is omdat deze gelijkvloers is en de trap in het portiek geen belemmering oplevert. Nu daarmee echter het eerdere standpunt dat die woning niet adequaat was in verband met het ontbreken van een uitraaskamer niet is weerlegd, moet de Raad het ervoor houden dat door Amir in deze woning belemmeringen werden ondervonden.

3.9 Nu deze belemmeringen het treffen van een voorziening langdurig noodzakelijk maken, heeft appellant de gevraagde verhuiskostenvergoeding ten onrechte geweigerd.

3.10 Dit betekent dat het besluit van 17 mei 2004 in rechte geen stand houdt wegens strijd met de wet en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.11 De Raad acht, anders dan de rechtbank, termen aanwezig om zelf in de zaak te voorzien als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hij stelt met het oog daarop vast dat uit bijlage 2 bij de Verordening voorzieningen gehandicapten 2001 van de gemeente Rotterdam blijkt dat de vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten ten tijde in geding was vastgesteld op € 2.949,57.

3.12 De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Deze worden begroot op € 23,26 voor reiskosten in beroep en in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat aan betrokkenen een verhuiskostenvergoeding wordt toegekend van € 2.949,57;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van betrokkenen ten bedrage van € 23,26, te betalen door de gemeente Rotterdam;
Bepaalt dat van de gemeente Rotterdam een griffierecht van 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x