Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
BA1485
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen, omdat het medisch niet noodzakelijk is dat zij tijdens het vervoer tegen weersinvloeden beschermd wordt en het gebruik van het aanvullend openbaar vervoer samen met een vervoerskostenvergoeding de goedkoopste combinatie van voorzieningen is.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2737 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2005, 04/2130 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).
  
Datum uitspraak: 21 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2007. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Wohlgemuth Kitselaar, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Op 10 februari 2003 heeft appellante het College in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) verzocht om een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen.

Bij besluit van 4 april 2003 heeft het College overeenkomstig het advies van 25 maart 2003 van het regionaal indicatieorgaan Tot en Met deze aanvraag afgewezen, omdat het medisch niet noodzakelijk is dat appellante tijdens het vervoer tegen weersinvloeden beschermd wordt, en het gebruik van het aanvullend openbaar vervoer (Stadsmobiel) samen met een vervoerskostenvergoeding de goedkoopste combinatie van voorzieningen is. Bij besluit van gelijke datum is appellante een aanvullende vervoerskostenvergoeding van € 588,-- per jaar toegekend.

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 mei 2004 ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer overwogen dat ingevolge het bepaalde in paragraaf 4.3.1 van de Beleidsregels WVG van de gemeente Amsterdam het uitgangspunt bij het verstrekken van een gesloten buitenwagen is dat hiermee alle vervoersbehoeften op korte afstand en de iets langere afstand kunnen worden ingevuld, terwijl het openbaar vervoer, de Stadsmobiel, en andere verplaatsingsmiddelen (bijvoorbeeld fiets, taxi, scootmobiel) daarvoor niet in aanmerking komen, en dat er een medische noodzaak aanwezig dient te zijn tot bescherming tegen weersomstandigheden. De rechtbank heeft dit beleid niet onredelijk of anderszins onjuist geacht. Uitgaande van de adviezen van Tot en Met heeft het College naar haar oordeel terecht het standpunt ingenomen dat bij appellante geen sprake is van een zodanig weersgevoelige aandoening dat er een medische noodzaak bestaat voor bescherming tegen weersinvloeden door middel van een gesloten buitenwagen. Met de toegekende financiële tegemoetkoming in de kosten van het vervoer met de Stadsmobiel, taxi en door derden moet appellante naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij graag zelfstandig de straat op wil en daarbij niet afhankelijk wil zijn van haar (nu nog) inwonende dochter. Het gebruik van de Stadsmobiel wijst zij af omdat zij het bezwaarlijk vindt om steeds vooraf de rit te moeten bestellen. Een scootmobiel is haar aangeboden, maar deze heeft zij afgewezen, omdat ze voor de stalling daarvan een deel van haar tuin moet opofferen. Bovendien heeft zij betoogd bij kou geen gebruik te kunnen maken van een scootmobiel, omdat zij zich vanwege diverse huidaandoeningen luchtig moet kleden.

Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 11 mei 2004 neergelegde standpunt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt, voor zover hier van belang, dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten en dat het met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe bij verordening regels dient vast te stellen.

Aan artikel 2, eerste lid, van de Wvg is in de gemeente Amsterdam uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening gehandicapten (hierna: Verordening).

Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening verstrekken in de vorm van een gesloten buitenwagen.

Blijkens paragraaf 4.3.1 van de Beleidsregels Wet voorzieningen gehandicapten van het College (hierna: Beleidsregels) kan een gehandicapte alleen dan voor een gesloten buitenwagen in aanmerking komen wanneer er een medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden.

Het voor de toekenning van een gesloten buitenwagen geldende vereiste van een medische noodzaak voor bescherming tegen weersinvloeden is op zich zelf genomen naar het oordeel van de Raad niet in strijd met het bepaalde bij en krachtens de Wvg.

Appellante heeft in de bezwaarprocedure een brief van 17 december 2003 van haar huidarts dr. H.J. Hulsebosch aan het College verstrekt. In die brief vermeldt deze arts dat appellante lijdt aan een veelheid van aandoeningen, die alle voor zichzelf genomen misschien het beschikbaar stellen van een gesloten invalidenauto van het type Canta niet noodzakelijk maken, maar alles bij elkaar genomen toch wel aanleiding zijn om haar verzoek nog eens serieus te overwegen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat appellante zich in verband met huidaandoeningen en de daarmee samenhangende jeuk luchtig moet kleden, hetgeen een probleem is bij het naar buiten gaan in de wat koudere perioden.

De Raad stelt vast dat de medisch adviseur van Tot en Met heeft kennisgenomen van deze brief van de dermatoloog en, mede na overleg met de huisarts, op grond van zijn onderzoeksbevindingen heeft vastgesteld dat appellante door gerichte zorg te betrachten bij de keuze van haar kleding de gevolgen van weersinvloeden op haar huid kan voorkomen, zodat zij om die reden niet is aangewezen op gesloten vervoer.
De Raad is van oordeel dat het College zijn besluitvorming op de adviezen van 25 maart 2003, 7 april 2004 en 15 september 2004 van Tot en Met heeft mogen baseren. Appellante heeft niet onderbouwd weerlegd dat zij zich door middel van adequate kleding kan beschermen tegen de gevolgen van weersinvloeden. De brief van dr. Hulsebosch geeft daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.

In hetgeen door appellante is aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het College aanleiding hadden behoren te geven om – ondanks het ontbreken van een medische noodzaak voor bescherming tegen weersinvloeden – toch tot toekenning van een gesloten buitenwagen over te gaan. In dat verband merkt de Raad op dat het feit dat het gebruik van de Stadsmobiel meebrengt dat de rit enige tijd voorafgaand aan het geplande vertrektijdstip telefonisch moet worden besteld, op zichzelf genomen niet maakt dat deze vervoersvoorziening geen verantwoorde voorziening als bedoeld in artikel 3 van de Wvg zou zijn.

Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad overweegt voorts - voor dit geding ten overvloede - in de beschikbare medische gegevens geen contra-indicatie voor het gebruik van een scootmobiel te hebben gezien. Als appellante geen gebruik wenst te maken van een door het College toe te kennen scootmobiel, kan zij zich, gelet op hetgeen de gemachtigde van het College ter zitting heeft verklaard, tot het College wenden met een verzoek om in aanmerking te komen voor een aanvullende financiële tegemoetkoming in het vervoer van € 588,-- per jaar.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2007.
  
(get.) R.M. van Male.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x