Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
BA7733
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-06-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een forfaitaire tegemoetkoming in zijn vervoerskosten, omdat niet is gebleken dat hij om medische redenen geen gebruik kan maken van het Vervoer op Maat. Het begeleiden van de kinderen naar school is een taak van beide ouders. Hierbij mag van betrokkenes echtgenote redelijkerwijs medewerking worden verlangd.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5657 WVG




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2005, 05/1736 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 6 juni 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft J. van Dongen-Spaans, werkzaam bij servicebureau Spado te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Cevik, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 28 maart 1994 heeft het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) aan appellant een voorziening in de vorm van Vervoer op Maat deur-tot-deur toegekend.

Bij besluit van 3 april 2001 heeft het College op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg met ingang van 10 april 2001 in de vorm van Vervoer op Maat deur-tot-deur, gezin-mag-mee toegekend.

Appellant heeft op 17 mei 2004 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wvg een voorziening aangevraagd in de vorm van een kilometervergoeding.

Bij besluit van 21 juni 2004 heeft het College de aanvraag van appellant van 17 mei 2004 afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2004 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant niet in aanmerking komt voor een forfaitaire tegemoetkoming in zijn vervoerskosten omdat niet is gebleken hij om medische redenen geen gebruik kan maken van het Vervoer op Maat.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 maart 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Kort samengevat is aangevoerd dat hij vanwege aantoonbare medische beperkingen geen gebruik kan maken van Vervoer op Maat. Ook is het Vervoer op Maat niet geschikt om de kinderen naar school te brengen. Appellant staat voor deze taak nu zijn echtgenote niet in staat is hun beide kinderen naar school te brengen, aangezien zij op het tijdstip dat de school aanvangt verplichte taallessen moet volgen. Ten slotte is aangevoerd dat appellant tijdens het reizen met het collectief vervoer zijn twee rolstoelen niet mag meenemen terwijl dit voor hem in het kader van zijn sportbeoefening wel noodzakelijk is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens heeft de Raad aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.
  
De grief van appellant dat hij vanwege problemen met de zitbalans en vanwege toiletgang niet langer gebruik kan maken van Vervoer op Maat verwerpt de Raad, omdat deze - evenals in de beroepsprocedure bij de rechtbank - in het geheel niet met medische gegevens is onderbouwd.

Het begeleiden van de kinderen naar school is een taak van beide ouders. Hierbij mag van de echtgenote van appellant redelijkerwijs te vergen medewerking worden verlangd. Nu appellant zijn stelling dat zijn echtgenote wegens het volgen van verplichte taallessen daartoe niet in staat was niet met - op de periode in geding betrekking hebbende verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, houdt de Raad het er voor dat de echtgenote wel in staat was haar bijdrage te leveren bij de begeleiding van de kinderen naar school.

De grief van appellant dat hij geen twee rolstoelen mag meenemen in het collectief vervoer vindt geen steun in de gedingstukken. Nu daaruit blijkt dat het College opdracht heeft gegeven aan de vervoerder om toe te staan dat appellant ook zijn sportrolstoel meeneemt kon appellant ook hier niet volstaan met een niet onderbouwde stelling. De Raad is bovendien niet gebleken dat appellant terzake klachten heeft ingediend bij de RET of bij het College.


De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x