Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
BA9492
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-06-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Omdat niet is gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, heeft de rechtbank ten onrechte de gemeente veroordeeld in de kosten van aan betrokkene verleende rechtsbijstand. Betrokkene wordt veroordeeld tot restitutie van de door haar ontvangen proceskostenvergoeding ter hoogte van f 1420,-.
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/2735 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is mr J.J. Torres, werkzaam bij de gemeente Amstelveen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 21 januari 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, betreffende een geschil over een vervoersvoorziening in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).

Namens gedaagde heeft de heer B. Wastiaux, werkzaam bij de Stichting Juridisch en Maatschappelijk Spreekuur (hierna: de Stichting) een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 maart 1998, waar voor appellant is verschenen mr. J.J. Torres voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door B. Wastiaux voornoemd.




II. MOTIVERING


Bij de in rubriek I genoemde uitspraak van de Arrondisse¨mentsrechtbank te Amsterdam is het beroep van gedaagde tegen de door appellant genomen beslissing op bezwaar met betrekking tot de aanvraag om een vervoersvoorziening in het kader van de Wvg door de rechtbank gegrond verklaard.

Voorts heeft de rechtbank aanleiding gezien appellant als de in het ongelijk gestelde partij krachtens artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten van verleende rechtsbijstand aan gedaagde, welke zijn begroot op f 1.420,--.

Tegen deze door de rechtbank ingevolge artikel 8:75 Awb uitgesproken proceskostenveroordeling richt het hoger beroep van appellant zich.

De Raad overweegt als volgt.

Om tot een veroordeling in de proceskosten krachtens artikel 8:75 Awb te kunnen overgaan dient er sprake te zijn van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in rekening gebrachte kosten.

In de lijn van 's Raads uitspraak van 18 september 1996 (AB 1996, 464) worden kosten die -in beginsel- niet in rekening gebracht worden aan belanghebbenden, niet gererekend tot de aan de zijde van betrokkene gevallen proceskosten in de zin van artikel 8:75 van de Awb en het Beesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde bevestigd dat de Stichting alleen in uitzonderingsgevallen kosten in rekening brengt aan haar cliŽnten en gesteld dat in casu sprake is van een dergelijk uitzonderingsgeval. Dit laatste heeft de gemachtigde van gedaagde echter naar het oordeel van de Raad op geen enkele wijze aannemelijk kunnen maken. De gedingstukken bevatten voor die stelling geen aanknopingspunten terwijl voorts niet is gebleken dat over de te maken of gemaakte kosten afspraken zijn gemaakt tussen de Stichting en gedaagde.

Weliswaar staat het forfaitaire karakter van de proceskostenregeling in beginsel een onderzoek naar de werkelijke kosten van gedaagde in de weg, maar dat betekent naar het oordeel van de Raad niet dat er in een geval als het onderhavige ruimte zou bestaan voor een proceskostenveroordeling, zelfs als niet gebleken is van enige daadwerkelijk ten laste van betrokkene gekomen kosten.

Nu derhalve niet is gebleken dat gedaagde kosten heeft gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1 onderdeel a, van het Bpb, bestaat voor toewijzing van de proceskostenvergoeding krachtens artikel 8:75 van de Awb geen grond.

Daarom moet als volgt worden beslist.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt gedaagde tot restitutie van de door haar ontvangen proceskostenvergoeding ter hoogte van f 1.420,--.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, mr. D.J. van der Vos en mr. R.A.F. de Guasco als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 1998.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x