Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
ZB6634
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-10-1996
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging met ingang van de datum in geding van de aan betrokkene toegekende forfaitaire vervoerskostenvergoeding ad f 135,-- per maand, waarbij betrokkene met ingang van die datum in aanmerking is gebracht voor een vervoersvoorziening bestaande uit collectief taxivervoer van deur tot deur met daarnaast een vergoeding van f 475,- per jaar. Stelt betrokkene terecht dat haar voormalige forfaitaire maandelijkse vergoeding wel voldoende voorzag in haar vervoersbehoefte, met name nu zij daarmee in staat was vrijwel wekelijks per taxi naar haar schoonzuster te gaan?
 
 
 

 

 
Uitspraak 96/1235 WVG




U I T S P R A A K




A., wonende te B., appellante,

en

het college van burgemeesters en wethouders van de
gemeente Maastricht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Gedaagde heeft bij een - hierna onder II meer uitvoerig
weergegeven - ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten
(Wvg) genomen besluit van 18 april 1995 jegens appellante
onder meer overwogen dat in haar situatie het per 1 maart
1995 in Maastricht van start gegane systeem van
collectief vervoer van deur tot deur als een adequate
voorliggende voorziening moet worden beschouwd. Bij dat
besluit is voorts appellantes bezwaar tegen gedaagdes
eerdere primaire besluit d.d. 12 december 1994 afgewezen.

De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft het
namens appellante tegen voormeld besluit van 18 april
1995 ingesteld beroep ongegrond verklaard bij een tussen
partijen gewezen uitspraak van 20 december 1995, waarnaar
hierbij wordt verwezen.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen
bij de Raad. In het namens haar ingediende beroepschrift
zijn de gronden van het onderhavige hoger beroep uiteengezet.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en
- desverzocht - bij begeleidend schrijven van 23 augustus
1996 nadere gegevens ingezonden over het collectief
vervoer in Maastricht en de daaraan verbonden kosten.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden
op 17 september 1996. Appellante is daar niet verschenen.
Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen
door H.M. Pluymaeckers, werkzaam bij de afdeling sociale
zaken en welzijn van de gemeente Maastricht.




II. MOTIVERING


Gedaagde heeft appellante, geboren in 1932 en woonachtig
te B., in het kader van de Wvg van 1 april 1994
tot 1 maart 1995 in het genot gesteld van een forfaitaire
vervoerskostenvergoeding ad f 135,-- per maand. Die voorziening
is door gedaagde met ingang van 1 maart 1995 in
verband met de invoering in Maastricht van het zogenoemd
collectief vervoer gewijzigd bij primair besluit van
12 december 1994. Bij dat besluit werd appellante op de
voet van de gemeentelijke Verordening Voorzieningen
Gehandicapten (hierna: de verordening) in aanmerking
gebracht voor deelname - onder begeleiding - aan het
collectief systeem van al dan niet aanvullend openbaar
vervoer (zogenoemd Vervoer op Maat-systeem).

Naar aanleiding van het door appellante tegen het
zoŽvengenoemd besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde
bij het onder I vermeld besluit van 18 april 1995 onder
meer het volgende overwogen:
"Kort samengevat voert u aan dat deelname aan het
vervoer op Maat-systeem voor u niet mogelijk is m.n.
omdat u veelal niet kunt beschikken over begeleiding
die u bij dat collectieve vervoer noodzakelijk acht.
Tijdens een hoorzitting op 06-01-1995 heeft uw zoon
en gemachtigde, het bezwaarschrift mondeling toegelicht.
Benadrukt werd dat het (bijna) wekelijkse bezoeken
van uw schoonzuster in Maastricht voor u een zeer
belangrijk sociaal contact is; uw vervoer hiernaar
toe via Vervoer op maat wordt door uw gemachtigde
aangemerkt als van aanzienlijk langere duur dan per
taxi en als zodanig als kapitaalvernietiging.
Verder werd meegedeeld dat u weliswaar enkele dagen
per week begeleid kunt worden door de thuiszorg,
maar u daarnaast en met name 's avonds meestal niet
over begeleiding beschikt. Naar aanleiding van de
mededeling dat uw medische toestand sinds medio 1994
is verslechterd, werd een hernieuwd medisch
onderzoek door de Gemeenschappelijke
Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg verricht
(op 23-01-1995). Bij schrijven van 27-01-1995 werd
aan u het medisch advies van de GGD toegezonden en u
de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen op dit
advies te reageren. Die termijn is verstreken zonder
dat van of namens u een reactie werd ontvangen.
De overwegingen:
Met het bezwaarschrift heeft u de bedoeling, dat de
individuele geldelijke vergoeding voor
vervoerskosten, welke u tot 1 maart 1995 was
toegekend wegens het ontbreken van het collectief
systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer,
ook nu dit systeem is ingevoerd, vanaf 1 maart 1995
wordt voortgezet.
Vanaf 1 april 1994 is de Wet voorzieningen
gehandicapten van toepassing. Deze wet draagt de
gemeentebesturen op zorg te dragen voor de verlening
van onder meer vervoersvoorzieningen ten behoeve van
deelneming aan het maatschappelijk verkeer (art. 2 Wvg).
Welke voorzieningen dat zouden moeten zijn is niet
in de wet vastgelegd.
Aldus is er een gemeentelijke beleidsvrijheid ten
aanzien van de omvang en de inhoud van het lokale
voorzieningenpakket en wordt het gemeentebestuur in
staat gesteld om, gelet op de behoefte van de
individuele gehandicapte en de lokale mogelijkheden,
op een flexibele, efficiŽnte wijze de beperkingen
die de gehandicapte bij het zich binnen of buiten de
woning verplaatsen ondervindt weg te nemen of te verminderen.
De gemeenten krijgen op dit terrein veel meer
mogelijkheden, onder andere om in de plaats van
individuele financiŽle tegemoetkomingen andere
voorzieningen aan te bieden, zoals collectieve
vervoersvoorzieningen.
De voorzieningen die de gemeente aanbiedt dienen
verantwoord te zijn. Onder verantwoorde
voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die
doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht worden
verleend, met andere woorden er dient sprake te zijn
van adequate voorzieningen (art. 3 Wvg).
De gemeenten dienen hun zorgplicht nader uit te
werken in een verordening (art. 2 Wvg). De gemeente
Maastricht heeft dit vastgelegd in de Verordening
voorziening gehandicapten Maastricht 1994 (hierna te
noemen de Verordening).
Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kan de door
Burgemeester en Wethouders te verstrekken
vervoersvoorzieningen bestaan uit:
a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet
openbaar vervoer;
b. een voorziening in natura in de vorm van:
1. een al dan niet aangepaste huurauto; 2. een al
dan niet aangepaste gesloten buitenwagen in huur;
3. een open elektrische buitenwagen in huur; 4. een
ander verplaatsingsmiddel in huur.
c. een vergoeding in de kosten van:
1. aanpassing van een eigen auto; 2. gebruik van een
bruikleen-/huurauto; 3. gebruik van een taxi of
eigen auto; 4. gebruik van een rolstoeltaxi.
De gemeente Maastricht heeft de voorkeur gegeven aan
een collectief systeem van aanvullend al dan niet
openbaar vervoer. Dit uitgangspunt is vastgelegd in
artikel 3.2, onder 2 aanhef, sub a en b van de
Verordening, waarin bepaald wordt dat een
gehandicapte voor een vervoersvoorziening als
bedoeld in artikel 3.1 onder b en c vermeld in
aanmerking kan worden gebracht wanneer:
a. aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of
gebrek het gebruik van een collectief systeem
onmogelijk maken, dan wel:
b. een collectief systeem niet aanwezig is.
In verband met het ontbreken van een collectief
systeem werd u een geldelijke vergoeding voor
vervoerskosten toegekend (tot 1 maart 1995).
Met ingang van 1 januari 1995 is het collectief
systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer
(Vervoer op Maat-systeem) in werking getreden.
Bij de behandeling van de Wet voorzieningen
gehandicapten in de Kamer is aangegeven dat het
collectief vervoerssysteem in het algemeen
aangemerkt kan worden als voorziening waarmee de
beperkingen die de gehandicapten bij het verplaatsen
buitenshuis ondervinden adequaat kunnen worden
weggenomen, dan wel worden verminderd.
Burgemeester en Wethouders zijn van oordeel dat het
Vervoer op Maat-systeem aangemerkt dient te worden
als een adequate voorziening. Het Maastrichtse model
voldoet aan de eisen, zoals opgesteld door een
werkgroep van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
De voorkeur voor het Vervoer op Maat-systeem houdt
in dat er dan in principe geen plaats meer is voor
een individuele verstrekking van een geldelijke
vergoeding voor vervoerskosten. Voortzetting van de
geldelijke vergoeding is alleen dan mogelijk in de
gevallen waarin aantoonbare beperkingen als gevolg
van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief
systeem onmogelijk maken.
Uit het advies van de Gemeenschappelijke
Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg van 10-02-1995
blijkt dat u gebruik kunt maken van het Vervoer
op Maat-systeem. Geconstateerd wordt dat u geen
overstap kunt maken. Op grond daarvan is er een
indikatie voor van deur-tot-deur vervoer met
collectieve taxi als onderdeel van vervoer op maat.
Aan het gestelde in het medisch advies kan met het
Vervoer op Maat-systeem worden voldaan. Vervoer van
deur-tot-deur met collectieve taxi maakt onderdeel
uit van het vervoer op maat-systeem.
Naar aanleiding van hetgeen u opmerkt in uw
bezwaarschrift met betrekking tot het feit dat u
hulp krijgt bij het in- en uitstappen van de
chauffeur bij gebruik van de taxi zij vermeld dat
ook bij het Vervoer op Maat-systeem hulp in deze
wordt geboden.
Er zijn derhalve medisch geen beperkingen gebleken
die het gebruik van het Vervoer op Maatsysteem
onmogelijk maken.
In beginsel hoeft slechts rekening te worden
gehouden met vervoer op korte afstanden. Als
uitgangspunt geldt het leven van alledag en het
onderhouden van sociale contacten in de diverse
woon- of leefomgeving. Dit betekent dat bezoek of
deelname aan elders wonende sociale contacten in
beginsel buiten beschouwing blijven, tenzij er
sprake zou zijn van vereenzaming.
Hiervan is in uw situatie niet gebleken.
Overigens wordt u voor vervoer buiten Maastricht en
vervoer buiten de openstellingsuren van Vervoer op
Maat een tegemoetkoming ad f 475,- per jaar verstrekt.
Het betreft een forfaitaire vergoeding welke los
staat van de werkelijke kosten.
Het collectief systeem geldt als voorliggende
voorziening. Om die reden dient iedereen, los van
het gegeven of men liever iets anders wil, zo
mogelijk van dit systeem gebruik te maken.
De Gemeente heeft de verplichting om te zorgen voor
een adequate vervoersvoorziening en niet de plicht
om voor iedere gehandicapte de eigen keuze voor het
opheffen of verminderen van de beperking, die bij
het vervoer buitenshuis wordt ondervonden, te realiseren.
Resumerend wordt het Vervoer op Maat-systeem in uw
situatie als een adequate voorziening aangemerkt.
Ingevolge artikel 8.1, eerste lid van de Verordening
kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere
gevallen ten gunste van de gehandicapte afwijken van
de bepalingen in de verordening, indien toepassing
van de verordening tot onbillijkheden van
overwegende aard leidt.
Hetgeen u bij bezwaar aanvoert, vormt geen reden
hiervan af te wijken."

In dit geding ziet de Raad zich gesteld voor de
beantwoording van de vraag of de in het bestreden besluit
vervat te achten toekenning van een vervoersvoorziening
bestaande uit collectief taxivervoer van deur tot deur
met daarnaast een vergoeding van f 475,-- per jaar, een
en ander als hiervoor vermeld, in rechte stand kan
houden.

De rechtbank heeft, lettend op de in het bestreden
besluit en de aangevallen uitspraak weergegeven
bepalingen van de Wvg respectievelijk voormelde
gemeentelijke Verordening inzake voorzieningen voor
gehandicapten, deze vraag bevestigend beantwoord.

Daartoe is door die rechter - samengevat - overwogen

- dat gedaagdes gemeente met de keuze voor een collectief
vervoerssysteem als eerste in aanmerking komende
voorziening, is gebleven binnen de haar door de wetgever
gestelde grenzen;
- dat appellante, gelet op de bevindingen van de
Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst in staat is zich
zonder begeleiding te verplaatsen via het collectief
taxivervoer van deur tot deur;
- dat niet is gebleken dat appellante door de haar per
1 maart 1995 toegekende voorziening in een sociaal
isolement zal geraken;
- dat evenmin sprake is van (andere) zwaarwegende
bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van de
verordening.

De in eerste aanleg aangevoerde en in hoger beroep
herhaalde grieven van appellante tegen de wijziging van
haar vervoersvoorziening per 1 maart 1995 betreffen met
name de teruggang van het aantal malen dat zij haar
familie in Maastricht zou kunnen bezoeken.
In haar visie voorzag haar voormalige forfaitaire
maandelijkse vergoeding van f 135,-- wel voldoende in
haar vervoersbehoefte, met name nu zij daarmee in staat
was vrijwel wekelijks per taxi naar haar in Maastricht
wonende schoonzuster te gaan.

De Raad overweegt naar aanleiding van die grieven als
volgt.
Het bestuur van de gemeente Maastricht heeft bij de in
het bestreden besluit vermelde bepalingen van de
verordening uitvoering gegeven aan de haar ingevolge
artikel 2 en artikel 3 van de Wvg opgedragen taak om
doeltreffende, doelmatige en cliŽntgerichte
vervoersvoorzieningen op te zetten ten behoeve van de
deelneming aan het maatschappelijk verkeer van ter
plaatse wonende gehandicapten.

Hierbij dient te worden bedacht dat de wetgever bij die
opdracht bewust beleidsruimte aan de gemeenten heeft
gegeven. Daarbij staat het die organen vrij om desgeraden
afstand te nemen van de ontstane beleidspraktijk onder de
vigeur van artikel 57, tweede lid (oud) van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij individuele
forfaitaire financiŽle tegemoetkomingen - in feite bij
wijze van inkomensondersteunende voorziening - in zwang
zijn geraakt.

Het is derhalve aan de gemeenten om, binnen voormeld
globaal kader van de Wvg, naar eigen beleidsinzicht en
rekening houdend met de aanwezige middelen en plaatselijke
omstandigheden, voorzieningen te creŽren voor de bij
die wet uitgebreide kring van gehandicapten.

Het bestuur van de gemeente Maastricht heeft bij het
vaststellen van de verordening van de hem door de
wetgever toegekende beleidsruimte in dier voege gebruik
gemaakt, dat hij prioriteit heeft verleend aan het
daarbij geÔntroduceerde systeem van collectief vervoer.

De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten
om te oordelen dat de wijze, waarop het bestuur van de
gemeente Maastricht - binnen voormeld kader - gebruik heeft
gemaakt van zijn regelgevende bevoegdheid, de te dezen
beperkte rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan.

Daarbij heeft de Raad mede laten wegen dat het aantal in
de gemeente Maastricht jaarlijks af te leggen reizen per
collectief vervoer aanvankelijk beperkt was, namelijk
variŽrend van circa 20 (indien men slechts ritten maakt
waarvoor telkens het maximaal aantal van 5 bonnen is
vereist) tot 70 (bij ritten binnen ťťn vervoersgebied),
doch dat aan dit aantal na 1 september 1995 niet langer
een limiet is gesteld. Daartoe geÔndiceerden kunnen
sedertdien onbeperkt van het collectief vervoer - in het
geval van appellante vervoer per deeltaxi van deur tot
deur - tegen het geldend gereduceerd tarief van 75 cent
per bon gebruik maken.
Bovendien kunnen die personen desgewenst de hen
toegekende aanvullende forfaitaire tegemoetkoming van f
475,-- geheel of gedeeltelijk besteden aan de aankoop van
collectief vervoer coupons tegen het zoŽven genoemd
gereduceerd tarief.

Bij de beantwoording van de eerdergenoemde hier in geding
zijnde vraag vormen, naar in het vorengaande ligt
besloten, de hiervoor vermelde bepalingen van de
verordening in de gemeente Maastricht de specifieke
grondslag waarop de houdbaarheid in rechte van het
bestreden besluit moet worden beoordeeld.

Niet betwist is dat die bepalingen door gedaagde in het
geval van appellante juist zijn toegepast. Uitgaande van
die bepalingen, heeft de Raad noch in de uit het dossier
naar voren komende medische en andere gegevens noch in
hetgeen zijdens appellante in hoger beroep is aangevoerd
grond gevonden om met betrekking tot de rechtmatigheid
van het bestreden besluit tot een ander oordeel dan de
rechtbank te komen.
Ook de Raad neemt derhalve op grond van de voorhanden
zijnde gegevens aan dat appellante, temeer nu het
tegendeel van haar zijde niet onderbouwd is bestreden,
ten tijde hier in geding in staat was om - zonder
begeleiding - gebruik te maken van het haar verstrekte
deeltaxivervoer van deur tot deur (met hulp van de
chauffeur bij het in- en uitstappen).

Aan de Raad is voorts, het vorenoverwogene mede in
aanmerking genomen, niet gebleken van bijzondere
zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan zou moeten
worden geoordeeld dat gedaagde in redelijkheid niet had
mogen volstaan met verstrekking van de aan appellante
toegekende vervoersvoorzieningen overeenkomstig voormelde
bepalingen.

Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat
gedaagde, gegeven het bepaalde in de Verordening, bij de
vaststelling van de aard en omvang van te verstrekken
vervoersvoorzieningen geen doorslaggevende betekenis
hoeft toe te kennen aan de bij een betrokkene levende
voorkeuren.

Aan het ingevolge de Wvg in de Verordening neergelegde
stelsel van vervoersvoorzieningen is, evenals voordien
onder de vigeur van de AAW het geval was, immers
inherent dat van een betrokkene kan worden gevergd dat
zij of hij zich zekere beperkingen getroost. Dat kan in
voorkomend geval een vermindering meebrengen van eerder
aanwezige mogelijkheden tot gebruikmaking van individueel
autovervoer. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat
aan een stelsel van vervoersvoorzieningen als hier aan de
orde naar haar aard een gestandaardiseerd karakter eigen is.
In de lijn van onder meer zijn uitspraak van 17 september
1996, reg.nr. WVG/39, voegt de Raad hier aan toe dat een
vervoersvoorziening krachtens de Wvg als de onderhavige
in beginsel niet verder hoeft te strekken dan het bieden
van een zodanige tegemoetkoming dat betrokkene binnen het
naaste woonmilieu nog in aanvaardbare mate deel kan nemen
aan het leven van alledag.

Naar in het vorengaande ligt besloten treft het
ingestelde hoger beroep geen doel. De aangevallen
uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet, mede gelet daarop, geen termen voor een
proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter,
mr. D.J. van der Vos en mr. M. Schreuder-Vlasblom als
leden, in tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 1996.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. Nieuwenhuis.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x