Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
ZB7780
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-06-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene, die in een AWBZ-instelling verblijft, in aanmerking te brengen voor aanpassing van de door zijn moeder met haar partner bewoonde woning middels verbouw van één van de slaapkamers op de eerste etage tot doucheruimte, voorzien van een tweede toilet en wandbeugels. Die aanpassing is volgens betrokkene noodzakelijk in verband met zijn verblijf in de weekenden, de feestdagen en vakanties in deze woning. Is terecht geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule als vervat in de gemeentelijke Wvg-verordening?
 
 
 

 

 
Uitspraak 97/5160 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de
gemeente Wijchen, appellant,

en

A te B, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant is op bij het beroepschrift (met bijlagen)
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de
Arrondissementsrechtbank te Arnhem gewezen uitspraak van 9
april 1997, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr J. van Zandbergen, werkzaam bij de
Federatie van Ouderverenigingen te Utrecht, van verweer
gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
15 mei 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. M. Vermeeren, werkzaam bij de gemeente Wijchen en drs.
W.J.M. Peters, werkzaam bij de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten.
Voor gedaagde zijn zijn moeder C. en J. van den Pol verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een meer uitvoerige beschrijving van de voor dit geding
relevante feiten - daaronder begrepen hetgeen zijdens appellant
in eerste aanleg is aangevoerd - en de toepasselijke
regelgeving verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in de
rubrieken 2 en 3 van de aangevallen uitspraak is vermeld.

Bij besluit op bezwaar van 27 november 1995 heeft gedaagde
zijn weigering gehandhaafd om gedaagde, die in een
AWBZ-instelling verblijft, in het kader van de Wet
voorzieningen gehandicapten (Wvg) in aanmerking te brengen
voor aanpassing van de door zijn moeder met haar partner
bewoonde woning middels verbouw van een van de slaapkamers op
de eerste etage tot doucheruimte, voorzien van een tweede
toilet en wandbeugels. Die aanpassing is, aldus is van de
zijde van gedaagde gesteld, noodzakelijk in verband met zijn
verblijf in de weekenden, de feestdagen en vakanties in deze woning.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden
besluit vernietigd, omdat appellant ten onrechte geen
toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule, als vervat
in artikel 8.1, eerste lid, van de Verordening Voorzieningen
Gehandicapten van de gemeente Wijchen (de Verordening). Daarin
is bepaald dat appellant in bijzondere gevallen ten gunste van
de gehandicapte of de woningeigenaar kan afwijken van de
bepalingen in de Verordening, indien toepassing van de
Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Naar uit de door partijen in hoger beroep ingenomen
standpunten blijkt is tussen hen niet in geschil dat, gelijk
de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft beslist,
gedaagde aan het bepaalde in artikel 2.7 van de Verordening
geen aanspraak kan ontlenen op de namens hem gevraagde en
hiervoor reeds omschreven woningaanpassing. Uitsluitend is aan
de Raad de vraag ter beantwoording of gezegd moet worden dat
appellant niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft
kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met
een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen
rechtsbeginsel door te weigeren met toepassing van
vorenomschreven hardheidsclausule in de gevraagde
woningaanpassing te voorzien.

Die vraag beantwoordt de Raad, anders dan de rechtbank,
ontkennend.

De aanvraag van gedaagde tot woningaanpassing is blijkens de
gedingstukken erop gericht het mogelijk te maken dat hij in de
tijd dat hij niet verblijft in het Epilepsiecentrum
X. te Y., logeert bij zijn moeder en haar partner
in de door hen bewoonde woning. Reeds hierom ziet de Raad het
beroep van gedaagde op de hardheidsclausule niet slagen, nu,
gelet op het bepaalde in artikel 2, tweede lid, van de Wvg, de
zorgplicht ingevolge die wet met betrekking tot voorzieningen
als de onderhavige niet voor gedaagde geldt en voorts in de
Verordening geen bepalingen zijn aan te wijzen die
verdergaande aanspraken op woningaanpassing bevatten dan die
in het kader van het bezoekbaar maken van de woning in het
vijfde, zesde en zevende lid van artikel 2.7 van de Verordening
zijn omschreven. Gelet op de duidelijke bewoordingen van
die bepalingen alsmede de daarbij behorende toelichting is het
uitdrukkelijk de bedoeling geweest van het bestuur van de
gemeente Wijchen om de voor gehandicapten als gedaagde te
treffen woonvoorzieningen te beperken tot het bezoekbaar maken
van de woning en niet om verdergaande aanpassingen ervan,
bijvoorbeeld als in casu in verband met de wens om er te
kunnen logeren, te regelen. Toepassing van de
hardheidsclausule met als resultaat dat de woning op de
mogelijkheid van logeren wordt aangepast, zou gedaagde in een
positie brengen die gelet op evenbedoelde bewoordingen van de
Verordening nu juist door de regelgever welbewust is uitgesloten.

De Raad voegt - strikt genomen ten overvloede - hieraan toe oog
te hebben voor de betekenis van de gevraagde voorziening in
relatie tot de wens van gedaagde om weekenden, feestdagen en
(delen van) vakanties bij zijn moeder en haar partner door te
brengen. Als sprake is van een groot maatschappelijk probleem
dat gedaagde en anderen in soortgelijke omstandigheden treft,
dan is het evenwel niet aan de rechter, maar aan de wetgever
om hierin - zo mogelijk - te voorzien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen
uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in
aanmerking komt en dat het inleidend beroep in zoverre alsnog
ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Veklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en
mr. D.J. van der Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in
tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier en
uitgesproken in het openbaar op 26 juni 1998.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. Nieuwenhuis.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x