Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wvg
x
LJN:
x
ZB8935
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-07-2000
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering betrokkene in aanmerking te brengen voor de verstrekking van een aangepaste auto in bruikleen, omdat een financiŽle tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de rolstoeltaxi als goedkoopst adequate voorziening in de zin van de gemeentelijke Wvg-verordening valt aan te merken. Het is aan de gemeente om, binnen het globaal kader van de Wvg, naar eigen beleidsinzicht en rekening houdend met de aanwezige middelen en plaatselijke omstandigheden voorzieningen te creŽren voor de bij die wet uitgebreide kring van gehandicapten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/5414 WVG




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente
Katwijk, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij brief van 17 augustus 1998 heeft gedaagde appellant in
kennis gesteld van het besluit waarbij zijn verzoek om
verstrekking van een aangepaste auto in bruikleen, is
afgewezen. Dit besluit is genomen op grond van het bepaalde in
de op de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) steunende
Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente
Katwijk (de Verordening).

De tegen dit besluit door appellant ingebrachte bezwaren heeft
gedaagde bij besluit van 12 november 1998 ongegrond verklaard.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij
uitspraak van 23 september 1999 het tegen het laatstgenoemd
besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft op bij het beroepschrift aangevoerde gronden
tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft bij schrijven van 19 januari 2000 van verweer
gediend en bij brief van 28 maart 2000 nog een inlichting
verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6
juni 2000, waar appellant in persoon is verschenen en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Dikkers.




II. MOTIVERING


Appellant, geboren in 1955, is vanwege de ziekte multiple
sclerose rolstoelgebonden. In 1990 is appellant door de
toenmalige bevoegde bedrijfsvereniging op grond van het
bepaalde bij en krachtens artikel 57, tweede lid, van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (oud) bij wege van
vervoersvoorziening in aanmerking gebracht voor een auto in
bruikleen. Bij brief van 23 maart 1998 heeft appellant
gedaagde aandacht gevraagd voor (onder meer) zijn problemen
bij het maken van de transfers tussen zijn rolstoel en zijn
auto. Uit het aanvraagformulier van
14 april 1998 blijkt dat appellant, mede gelet op de ter
zitting van de Raad door hem gegeven toelichting, daarbij het
oog had op een vervangende auto in bruikleen, waarin hij
zelfsturend in zijn rolstoel op de bestuurdersplaats zou
kunnen rijden, dan wel een auto in bruikleen, geschikt voor
vervoer van een rolstoelgebruiker en bestuurd door een derde.
Bij advies van 5 juni 1998 is de arts
A. Dalhuijsen, verbonden aan de GGD Duin- en Bollenstreek, tot
de conclusie gekomen dat appellant medisch-ergonomisch in
staat was gebruik te maken van een rolstoeltaxi. Daarop heeft
gedaagde bij het primair besluit van 17 augustus 1998
afwijzend beslist op het verzoek van appellant om zijn auto in
bruikleen te vervangen, omdat een financiŽle tegemoetkoming in
de kosten van het gebruik van de rolstoeltaxi als goedkoopst
adequate voorziening in de zin van de Verordening valt aan te
merken. In de vervoersbehoefte van appellant, onder meer
verband houdend met zijn - naar tussen partijen niet in geschil
is - omvangrijke maatschappelijke activiteiten als
vrijwilliger, heeft gedaagde geen aanleiding gezien om
niettemin een aangepaste bruikleenauto als vervoersvoorziening
te verstrekken. Bij het bestreden besluit is deze afwijzing
gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met uitvoerige
verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad het bestreden
besluit in stand gelaten. De Raad verenigt zich met de
beslissing van de rechtbank en met de daaraan ten grondslag
gelegde overwegingen.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd
overweegt de Raad in aansluiting hierop nog als volgt.

Het bestuur van de gemeente Katwijk heeft bij de Verordening
uitvoering gegeven aan de hem in artikel 2 en 3 van de Wvg
opgedragen taak om doeltreffende, doelmatige en cliŽntgerichte
voorzieningen op te zetten ter bevordering van de deelneming
aan het maatschappelijk verkeer van ter plaatse wonende
gehandicapten.

Hierbij dient te worden bedacht dat de wetgever bewust ruimte
heeft gelaten aan de gemeenten om naar eigen beleidsinzicht
aan die opdracht gestalte te geven. Gelet daarop stond het aan
het gemeentebestuur van de gemeente Katwijk vrij om, mede met
het oog op de bij de Wvg voorziene uitbreiding van de kring
van potentiŽle gegadigden, bij en krachtens de Verordening te
kiezen voor een ander - minder kostbaar - stelsel van
vervoersvoorzieningen dan destijds in het kader van de AAW
bestond.

Het is derhalve aan de gemeenten om, binnen voormeld globaal
kader van de Wvg, naar eigen beleidsinzicht en rekening
houdend met de aanwezige middelen en plaatselijke
omstandigheden, voorzieningen te creŽren voor de bij die wet
uitgebreide kring van gehandicapten.

De Raad stelt vast dat de Verordening aan gedaagde, naast de
mogelijkheid om een aantal andere vervoersvoorzieningen toe te
kennen, ook de bevoegdheid geeft om gehandicapten voor een
(aangepaste) auto in bruikleen in aanmerking te brengen.
Gedaagde heeft ter zitting van de Raad, evenals in eerste
aanleg, in dit verband aangegeven, dat hij bij de vraag welke
vervoersvoorziening moet worden getroffen, slechts zeer
terughoudend van deze bevoegdheid gebruik maakt, waarbij te
denken valt aan situaties van een jong gehandicapt kind dat
deel uitmaakt van een gezin met meerdere kinderen, of gevallen
waarin om medische redenen vervoer door derden niet mogelijk
is. De Raad acht deze wijze van uitvoering, mede gelet op het
hiervoor overwogene met betrekking tot het globale kader van
de Wvg, niet in strijd met doel en strekking van deze wet
en/of de Verordening. De Raad stelt voorts vast dat appellants
situatie niet vergelijkbaar is met de hiervoor omschreven
gevallen.

Nu uit het advies van de GGD blijkt dat appellant uit medisch
oogpunt van een rolstoeltaxi gebruik kan maken, ziet de Raad
ook uit dien hoofde geen belemmering voor gedaagde de door
appellant gevraagde aangepaste bruikleenauto af te wijzen. De
in eerste aanleg overgelegde door appellant opgestelde en door
de neuroloog P.E. BriŽtt onderschreven verklaring dat
patiŽnten met multiple sclerose, waar mogelijk, in staat
moeten worden gesteld om activiteiten te ontplooien en
contacten te onderhouden, staat daaraan evenmin in de weg.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het thans bestreden
besluit geen betrekking heeft op de kosten van het gebruik van
een rolstoeltaxi en dat gedaagde op aanvraag van appellant
te zijner tijd een beslissing heeft te nemen met inachtneming
van hetgeen daaromtrent in de Verordening en het daarop
steunende Besluit financiŽle tegemoetkomingen
vervoersvoorzieningen gehandicapten (het Besluit) is bepaald.
In dat verband zal gedaagde wederom dienen te beoordelen of,
gelet op de alsdan voorhanden zijnde gegevens tegen het licht
van de dan geldende regelgeving en uitvoeringspraktijk,
gronden aanwezig zijn om, al dan niet met toepassing van de
hardheidsclausule, een bijzonder geval aan te nemen waarin een
hogere vergoeding toegekend kan worden dan waarin de
Verordening en het Besluit strikt genomen voorzien. Daarbij
merkt de Raad nog op dat in de toelichting op artikel 3.2 van
de Verordening (in welke bepaling het recht op een
vervoersvoorziening is geregeld) is vermeld, dat als in
individuele gevallen sprake is van een bijzondere
vervoersbehoefte het van toepassing zijnde normbedrag zowel in
bovenwaartse zin als in neerwaartse zin kan worden bijgesteld.
Of in het geval van appellant sprake is van een bijzondere
vervoersbehoefte in de zin van de Verordening staat
te zijner tijd primair ter beoordeling van gedaagde en staat
thans in ieder geval - zoals gezegd - niet ter beoordeling van
de Raad.

Het hiervoor overwogene impliceert geenszins dat de Raad geen
oog zou hebben voor de door appellant ondervonden problemen
bij zijn vervoer of zou willen ontkennen dat een aan zijn
handicap aangepaste auto in zijn situatie, mede gelet op het
frequente gebruik dat daarvan wordt gemaakt ten behoeve van
vele maatschappelijk nuttige activiteiten, geen voordelen
heeft boven het gebruik van een rolstoeltaxi. Binnen het kader
van de hier aan de orde zijnde regelgeving, als uitgelegd in
de vaste jurisprudentie van de Raad, behoeft evenwel aan die
voordelen geen doorslaggevende betekenis te worden toegekend
in die zin dat alleen daardoor al een rechtsplicht voor
gedaagde aanwezig moet worden geacht om een aangepaste auto in
bruikleen te verstrekken.

Met inachtneming van het hiervoor overwogene komt de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en
mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in
tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 18 juli 2000.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wvg | Wvg | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x