Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AD3796
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-08-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Zelfstandige; startende ondernemer; verkrijgen van de hoedanigheid van werknemer.
 
 
 

 

 
Uitspraak 99/3104 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,

en

[A.], wonende te [B.], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle onder dagtekening 11 mei 1999 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het door appellant op bezwaar gegeven besluit van 20 november 1997 (het bestreden besluit) gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd, aan appellant opdracht is gegeven om een nieuw besluit te nemen.

Namens gedaagde heeft mr. F. Pilon-Kroijenga, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 mei 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.M. van Aerle, werkzaam bij Gak Nederland BV, terwijl gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak -waarin appellant als verweerder is aangeduid, en gedaagde als eiser- ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, welke hij, gelet op de inhoud van de gedingstukken, als vaststaand aanneemt.
"3.1 Eiser was van 1978 tot 1 januari 1995 ambtenaar, laatstelijk in de functie van directeur bij de Dienst Kunstzaken van de gemeente [C.]. Hieraan kwam een einde ten gevolge van een arbeidsconflict.
Eiser heeft zich vervolgens enerzijds gericht op het verkrijgen van arbeid in loondienst. Anderzijds heeft eiser zich per 1 november 1995 als eenmanszaak laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Flevoland onder de handelsnaam [X.] te [C.]; daarnaast heeft hij zich laten inschrijven bij een aantal bureaus die zich bezig houden met bemiddeling van interimmanagers
3.2 Gedurende de periode van 7 december 1995 tot en met 7 juni 1996 is eiser op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als directeur-adviseur gedurende 16 uur per week in dienst geweest bij [Y.] i.o. te [D.].
Voorts is eiser gedurende de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1996 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als fondsenwerver gedurende 8 uur per week in dienst geweest van het [Q.] te [E.]. Het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, de rechtsvoorganger van verweerder - verder te noemen: de bedrijfsvereniging - heeft eiser terzake van zijn per 11 juni 1996 resp. 2 juli 1996 ingetreden werkloosheid uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
3.3 Nadat eiser op het werkbriefje, betrekking hebbende op de periode 19 augustus 1996 tot en met 15 september 1996, had meegedeeld vanaf 10 september 1996, vooralsnog tot 1 januari 1997 gedurende 24 uur per week te zijn gaan werken bij [V.] te [F.], zijn bij besluit d.d. 23 september 1996 eisers uitkeringen met ingang van 10 september 1996 beŽindigd omdat eiser activiteiten als zelfstandig ondernemer was gaan ontplooien, waardoor eiser niet langer verzekerd was (voor de WW).
Eiser heeft tegen dit besluit geen bezwaar aangetekend.
3.4 Eiser heeft zijn werkzaamheden bij [V.] beŽindigd op 2 juni 1997. Naar aanleiding daarvan heeft hij verweerder verzocht hem opnieuw in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering.
3.5 Bij besluit d.d. 18 juli 1997 heeft verweerder geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor de gevraagde uitkering. Verweerder was van mening dat eiser niet in aanmerking kwam voor herkrijgen van het werknemerschap in verband met het feit dat eiser niet binnen zes maanden na de aanvang van zijn niet verzekeringsplichtige werkzaamheden deze werkzaamheden heeft beŽindigd(Ö)."

Ter zitting van de Raad is - deels in afwijking van voormelde feiten - nog gebleken dat gedaagde eind augustus 1995 een schikking met de gemeente [C.] heeft getroffen, inhoudende onder meer dat hij met onmiddellijke ingang zijn functie neerlegt, dat per 1 januari 1996 een einde komt aan zijn dienstverband en dat hem tot 1 oktober 1996 een uitkering ter hoogte van zijn volledige bezoldiging wordt betaald, waarop elders verworven inkomsten in mindering worden gebracht.

Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen voormeld besluit in primo ongegrond verklaard. Daartoe is nog overwogen dat gedaagde in het kader van de onderhavige aanvraag niet een persoon was die binnen anderhalf jaar na de aanvang van zijn werkzaamheden als zelfstandige ingevolge artikel 8, tweede lid, van de WW het werknemerschap kon herkrijgen, aangezien die bepaling ziet op startende ondernemers en gedaagde niet als zodanig is te beschouwen, nu zijn activiteiten als zelfstandige reeds vůůr de aanvang van zijn werkloosheid waren begonnen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd omdat - samengevat - niet is gebleken dat gedaagde vůůr 10 september 1996 daadwerkelijk werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten, waaraan in de visie van de rechtbank (onder meer) de inschrijving bij de Kamer van Koophandel in november 1995 niet afdoet, daar de aard van het bedrijf van gedaagde niet met zich zou brengen dat hij opbouwactiviteiten, zoals het werven van klanten, zou moeten verrichten.

In hoger beroep hebben partijen hun standpunten herhaald, waarbij appellant nog van de Belastingdienst ontvangen gegevens in het geding heeft gebracht. Namens gedaagde is daarop een korte reactie gegeven.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of appellant bij het bestreden besluit op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat gedaagde na beŽindiging op 2 juni 1997 van zijn, op 10 september 1996 voor 24 uur per week aangevangen, werkzaamheden via [V.] niet het, ten gevolge van het verrichten van die werkzaamheden, verloren werknemerschap heeft herkregen. Meer in het bijzonder staat ter beantwoording van de Raad de vraag of appellant er terecht van uitgegaan is dat ter zake van bedoelde werkzaamheden niet de termijn van anderhalf jaar van artikel 8, tweede lid, van de WW van toepassing was.

Anders dan de rechtbank deelt de Raad het door appellant ter zake van voormelde geschilpunten ingenomen standpunt. Uit de voorhanden gegevens, waarvan in het bijzonder de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie van de Belastingdienst, leidt de Raad namelijk af dat gedaagde wel degelijk reeds in 1995 - derhalve al voorafgaand aan de werkzaamheden in dienstbetrekking waaraan hij zijn werknemerschap heeft ontleend - werkzaamheden als zelfstandige in zijn eigen bedrijf heeft verricht. Over dat jaar heeft hij een bedrag van f 10.238,-- als winst uit onderneming bij de fiscus aangegeven. De hoogte van die winst maakt onaannemelijk dat gedaagde in dat jaar, zoals namens hem in verweer in hoger beroep is gesteld, slechts activiteiten "van onbeduidende aard" heeft verricht. De door gedaagde bij de Belastingdienst ingediende omschrijving van zijn "bedrijfsfilosofie", waaruit naar voren komt dat zijn onderneming gericht was op een breed scala van diensten op het terrein van kunst en cultuur, waaronder zowel projectmatige activiteiten als incidentele consulten, alsmede de aanzienlijk oplopende winstcijfers, wijzen er niet op dat gedaagde die werkzaamheden heeft beŽindigd, toen hij in de eerste helft van 1996 gedurende 24 uur per week in dienstbetrekking werkzaam was. Nu gedaagde voorts noch tegenover appellant, noch in de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep, concrete gegevens over (de omvang van) zijn bedrijfsactiviteiten heeft verstrekt, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om gedaagde ter zake van de op 10 september 1996 via voormeld bemiddelingsbureau aangevangen werkzaamheden te beschouwen als een startend ondernemer, voor wie op dat moment de termijn van anderhalf jaar van artikel 8, tweede lid, van de WW begon te lopen. Appellant heeft dan ook terecht geconcludeerd dat gedaagde na beŽindiging van die werkzaamheden op 2 juni 1997 niet het werknemerschap heeft herkregen.

Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2001.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x