Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT0930
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht afwijzend beslist op de aanvraag van betrokkene om overname van loondoorbetaling op grond van hoofdstuk IV van de WW?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2096 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ís-Gravenhage op 11 maart 2003, nr. AWB 02/3700 WW, tussen partijen gegeven uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen. Nadien is door appellant nog een nader stuk ingezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en eveneens een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Plokker, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Pouwelse, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Appellant is vanaf 1 november 1999 werkzaam geweest bij Poelwatering Agrarisch Loonbedrijf B.V., gevestigd te ís-Gravenzande (hierna: de werkgever). De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst met appellant per 12 juli 2000 beŽindigd. Na de daartoe door appellant ingestelde vordering heeft de kantonrechter te Delft bij vonnis van 3 mei 2001 voor recht verklaard dat aan het dienstverband niet per 12 juli 2000 een einde is gekomen en heeft de werkgever veroordeeld tot betaling aan appellant van het loon over de periode van 12 juli 2000 tot en met 31 oktober 2000. De werkgever heeft aan deze veroordeling geen gevolg gegeven.

Op 5 juli 2001 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend tot overname van de betalingsverplichtingen van de werkgever met toepassing van hoofdstuk IV van de WW. Bij besluit van 2 oktober 2001 is die aanvraag afgewezen op grond van de overweging dat uit de gedaagde ten dienste staande gegevens is gebleken dat de werkgever niet failliet is en niet is aangetoond dat deze verkeert in een blijvende toestand van opgehouden hebben te betalen. Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 28 augustus 2002 (het bestreden besluit) zijn standpunt gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat zij in het voorliggende geval onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden om tot het oordeel te komen dat de werkgever in een blijvende toestand verkeerde van opgehouden hebben te betalen en zelfs dat, indien wordt aangenomen dat bij de werkgever op enig moment een betalingsonmacht is ingetreden, niet aannemelijk is geworden dat deze toestand is ontstaan vůůr het einde van de dienstbetrekking met appellant op 31 oktober 2000. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde er niet ten onrechte op heeft gewezen dat appellant onvoldoende actie heeft ondernomen om het achterstallige loon uitbetaald te krijgen.

Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is onder meer aangevoerd dat door gedaagde onvoldoende onderzoek is verricht naar de betalingsonmacht van de werkgever en dat uit het vonnis van de kantonrechter blijkt dat vůůr 31 oktober 2000 betalingsonmacht is ontstaan, terwijl voorts ten onrechte is overwogen dat appellant in het geheel geen actie heeft ondernomen om het achterstallig loon uitbetaald te krijgen.

Gedaagde heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat gedaagde bij het bestreden besluit afwijzend heeft beslist op de aanvraag van appellant om overname van loondoorbetaling op grond van hoofdstuk IV van de WW.

Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 13 april 1999 (gepubliceerd in USZ 1999/166), is het gezien het karakter van de in hoofdstuk IV van de WW opgenomen regeling in eerste instantie aan de werknemer om aannemelijk te maken dat zijn werkgever in een blijvende toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen. Dat uitgangspunt ontslaat het uitvoeringsorgaan evenwel niet van de verplichting om, indien de door de werknemer verstrekte gegevens wijzen in de richting van betalingsonmacht, zelf zonodig aanvullend onderzoek te doen om terzake helderheid te verkrijgen.

De Raad stelt vast dat appellant in het kader van zijn aanvraag en in bezwaar tegen de afwijzende beslissing op die aanvraag geen gegevens heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zijn werkgever in een blijvende toestand verkeert van opgehouden hebben te betalen. Weliswaar is door appellant aangegeven dat de werkgever zijn activiteiten heeft gestaakt en als lege B.V. moet worden aangemerkt, doch in de voorhanden gegevens vindt de Raad geen steun voor het standpunt van appellant dat sprake is van een toestand als vorenbedoeld. De beŽindiging van de werkzaamheden door de B.V. is het gevolg van de gezondheidstoestand van haar directeur en staat niet in verband met betalingsmoeilijkheden. Uit de door gedaagde bij de Kamer van Koophandel ingewonnen informatie, die slechts de mededeling bevat dat de inschrijving van de werkgever wegens opheffing op 23 juli 2002 ambtshalve is doorgehaald, blijkt evenmin van blijvende betalingsonmacht. Ook in de overwegingen van het vonnis van de kantonrechter ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat er sprake was van blijvende betalingsonmacht van de werkgever.
Op grond van de voorhanden gegevens is de Raad evenmin gebleken dat het onderzoek door gedaagde onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat de conclusie van gedaagde dat er geen sprake is van betalingsonmacht van de werkgever niet door dit onderzoek zou kunnen worden gedragen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x