Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT2017
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering WW-uitkering en terugvordering van de ten onrechte verstrekte voorschotten. Is er geen grond om gedaagde met betrekking tot de uitbreiding van zijn werkzaamheden als zelfstandige te beschouwen als een zogenoemde startende zelfstandige?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2751 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Almelo op 28 april 2003, reg.nr. 02/243 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op het verweerschrift gereageerd en gedaagde heeft op die reactie weer gereageerd. Nadien heeft gedaagde zijn standpunt nog nader toegelicht.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 januari 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde was laatstelijk in dienst bij [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats] als adjunct-directeur voor 39 uur per week. Bij beschikking van 21 oktober 1999 heeft de kantonrechter te Enschede de arbeidsovereenkomst tussen gedaagde en [bedrijfsnaam] per 31 december 1999 ontbonden. Gedaagde heeft vanaf 19 mei 1999 geen werkzaamheden meer verricht voor [bedrijfsnaam]. Met ingang van 19 mei 1999 is gedaagde werkzaamheden als zelfstandige gaan verrichten gedurende 20 uur per week. Op 1 januari 2000 was gedaagde met vakantie. Met ingang van 14 januari 2000 heeft gedaagde, direct in aansluiting op zijn vakantie, zijn werkzaamheden als zelfstandige uitgebreid tot 40 uur per week. Op 29 juni 2001 heeft gedaagde, naar hij bij zijn aanvraag d.d. 29 juni 2001 voor een uitkering ingevolge de WW heeft vermeld, zijn werkzaamheden als zelfstandige geheel beŽindigd. Bij brief van 19 juli 2001 heeft appellant gedaagde meegedeeld de hoogte van de WW-uitkering nog niet te kunnen vaststellen en dat gedaagde vanaf 29 juni 2001 een voorschot ontvangt.

Bij twee besluiten van 9 november 2001 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld dat deze geen recht heeft op een WW-uitkering en dat de ten onrechte verstrekte voorschotten over de periode van 29 juni 2001 tot en met 14 oktober 2001 tot een bedrag van Ä 6.897,46 (f 15.200,--) van gedaagde worden teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van 11 februari 2002 heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen de besluiten van 9 november 2001 ongegrond verklaard en die besluiten gehandhaafd.

De rechtbank heeft in de eerste plaats geoordeeld dat het recht op uitkering op 29 juni 2001, voor wat betreft de door gedaagde op 19 mei 1999 aangevangen werkzaamheden voor 20 uur per week, niet kan herleven. Met betrekking tot de uitbreiding van die werkzaamheden per 14 januari 2000 met 20 uur per week, is de rechtbank vervolgens van oordeel dat gedaagde, in verband met de door haar aanwezig geachte beŽindiging door gedaagde van die werkzaamheden per 29 juni 2001, de hoedanigheid van werknemer wel kan herkrijgen. De rechtbank overweegt daartoe dat in het voorliggende geval sprake is van zulke bijzonderheden dat de strikte toepassing van artikel 8, tweede lid, van de WW in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing van genoemde wettelijke bepaling geen rechtsplicht meer kan zijn. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er geen grond is om gedaagde met betrekking tot de uitbreiding van zijn werkzaamheden als zelfstandige per 14 januari 2000 te beschouwen als een zogenoemde startende zelfstandige, zodat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst aan artikel 8, tweede lid, van de WW. Voorts heeft hij aangevoerd dat er in het voorliggende geval geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat moet worden geoordeeld dat gedaagde, tegen de wettelijke bepalingen in, per 29 juni 2001 de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, voor zover het de uren betreft waarmee gedaagde zijn werkzaamheden als zelfstandige per 14 januari 2000 heeft uitgebreid.

De Raad overweegt als volgt.

Met appellant is de Raad van oordeel dat uit de voorhanden zijnde gegevens volgt dat gedaagde met ingang van 19 mei 1999 is aangevangen met werkzaamheden als zelfstandige. In dit verband verwijst de Raad naar de door gedaagde voor akkoord getekende verklaring d.d. 29 juni 2001, waarin is vermeld dat gedaagde ingaande 19 mei 1999 een zelfstandig bedrijf heeft opgestart, dat hij daar 20 uur in de week mee bezig was, en dat hij ingaande 14 januari 2000 die werkzaamheden heeft uitgebreid tot 40 uur per week. Een en ander brengt mee dat het in artikel 8, tweede lid, van de WW genoemde tijdvak van anderhalf jaar in het geval van gedaagde is aangevangen op 19 mei 1999. De omstandigheid dat gedaagde die werkzaamheden op een later moment heeft uitgebreid, doet aan die vaststelling niet af. Op het moment waarop gedaagde zijn werkzaamheden als zelfstandige geheel heeft beŽindigd, te weten 29 juni 2001, was bedoeld tijdvak van anderhalf jaar reeds lang voorbij, zodat gedaagde, ingevolge artikel 8, tweede lid, van de WW, op dat moment de hoedanigheid van werknemer niet meer kan herkrijgen.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door gedaagde aangevoerde omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat strikte toepassing van artikel 8, tweede lid, van de WW in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat op die grond toepassing van genoemde wettelijke bepaling geen rechtsplicht meer kan zijn. Hij wijst er in dit verband op dat er, naar ook door gedaagde is erkend, geen sprake is geweest van concrete en ondubbelzinnige toezeggingen. Voor zover er aan gedaagde door een medewerker van appellant onjuiste informatie zou zijn verstrekt - waarvoor de beschikbare gegevens naar het de Raad voorkomt overigens onvoldoende steun bieden -, levert dat onvoldoende grond op voor zodanig oordeel. Ook de omstandigheid dat gedaagde aan het besluit om aan hem een voorschot uit te betalen de verwachting ontleende recht op een WW-uitkering te hebben, biedt daarvoor onvoldoende grond.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep doel treft en dat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A. de Gooijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x