Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT2680
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening WW-uitkering en terugvordering van te veel betaalde WW-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1641 WW en 03/3487 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M. Mos, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 17 februari 2003, nummer AWB 02/1445 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn huidige gemachtigde mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer de beslissing op bezwaar van gedaagde van 11 maart 2002 vernietigd, waarbij gedaagde zijn besluiten van 12 oktober 2001 heeft gehandhaafd tot herziening van de aan appellant met ingang van 7 september 2000 toegekende uitkering ingevolge de WW over de periode van 7 september 2000 tot en met 31 januari 2001 en tot terugvordering van een bedrag van f 16.493,70 ( 7.484,51).

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, voor zover deze de terugvordering betrof. Daarbij is de omvang van de terugvordering gehandhaafd.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strekt het hoger beroep zich, naar het oordeel van de Raad, mede uit tot de nieuwe beslissing op bezwaar.

Namens gedaagde is ter zitting van de Raad meegedeeld dat in het geval van appellant de herziening van de uitkering niet met terugwerkende kracht kon plaatsvinden. Dat betekent dat ook aan het terugvorderingbesluit de grondslag is komen te vervallen.
Gelet hierop kunnen gedaagdes besluiten van 11 maart 2002 en 9 juli 2003 niet in stand blijven; hetzelfde geldt voor de primaire besluiten van 12 oktober 2001.

Ter wille van de duidelijkheid voor partijen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en beslissen zoals hierna aan te geven. Het verzoek van appellant gedaagde te veroordelen tot vergoeding van renteschade over de terugbetaalde uitkering kan worden ingewilligd.

De Raad acht voorts termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op 805,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep. Tevens wordt aan appellant een vergoeding voor reiskosten in hoger beroep toegekend ten bedrage van 21,64.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2002 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep dat is gericht tegen het besluit van 9 juli 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Herroept de besluiten van 12 oktober 2001;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van totaal 1470,64, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van in totaal 116,-- ( 29,-- + 87,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. B.M. van Dun en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x