Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT3484
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van te veel betaalde WW-uitkering; herziening van het dagloon met terugwerkende kracht.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/310 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 12 december 2003, nr. AWB 03/929 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 februari 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door J. Klein, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Bij besluit van 16 januari 2003 heeft gedaagde de met ingang van 1 februari 2000 aan appellante toegekende uitkering ingevolge de WW met terugwerkende kracht herzien met ingang van 1 februari 2000, omdat was gebleken dat bij de toekenning van de uitkering het dagloon te hoog was vastgesteld. Bij dat besluit is het dagloon nader vastgesteld op 28,51.
Bij besluit van 24 januari 2003 heeft gedaagde hetgeen over de periode van 1 februari 2000 tot en met 29 december 2002 te veel aan appellante was uitbetaald, te weten 11.809,73, van appellante teruggevorderd.
Bij brief, gedateerd 3 maart 2003, heeft appellante bij gedaagde bezwaar gemaakt tegen diens besluit van 24 januari 2003. Dit bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 20 juni 2003 ongegrond verklaard. In dat besluit heeft gedaagde ook zijn herzieningsbesluit van 16 januari 2003 heroverwogen en dat besluit gehandhaafd.
Naar aanleiding van het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking had op de herbeoordeling van het herzieningsbesluit van 16 januari 2003. De rechtbank heeft het beroep, klaarblijkelijk uitsluitend voor zover het was gericht tegen de handhaving door gedaagde van zijn terugvorderingsbesluit van 24 januari 2003, ongegrond verklaard.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij heeft dit hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de terugvordering en betwist dat daarvoor een titel aanwezig was. Appellante heeft daartoe in hoger beroep, evenals bij de rechtbank, aangevoerd dat haar uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht was herzien, omdat zij redelijkerwijs niet had kunnen weten dat aan haar te veel uitkering werd verstrekt. Ter zitting van de Raad heeft appellante daarnaast nog aangevoerd dat het teruggevorderde bedrag te hoog is, omdat bij de berekening van het dagloon dat de basis vormde voor de herberekening van de omvang van haar WW-uitkering en daarmee voor de omvang van de terugvordering, ten onrechte tweemaal het spaarloon in mindering is gebracht.

De Raad stelt voorop dat appellante, naar zij ter zitting heeft erkend, het herzieningsbesluit van gedaagde van 16 januari 2003 niet tijdig met rechtsmiddelen heeft aangevochten. Hieruit volgt dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden en dat van de rechtmatigheid van het in dat besluit vermelde nieuw vastgestelde dagloon moet worden uitgegaan. Aan een inhoudelijke beoordeling van het herzieningsbesluit komt de Raad derhalve niet toe. Hiermee staat tevens vast dat gedaagde appellante onverschuldigd uitkering heeft betaald.
Voor zover appellante de hoogte van het teruggevorderde bedrag heeft betwist kan haar hoger beroep evenmin slagen. Uitgaande van het in het besluit van 16 januari 2003 herberekende dagloon is de Raad niet gebleken dat gedaagde de omvang van het teruggevorderde bedrag onjuist heeft vastgesteld.

Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x