Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT3488
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Blijvend gehele weigering WW-uitkering; door eigen toedoen (gedrag) geen passende arbeid behouden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/262 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2003, nr. WW 03/1180, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 februari 2005, waar appellante niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 18 september 2002 heeft gedaagde op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de WW beslist dat deze uitkering blijvend geheel wordt geweigerd omdat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 3 maart 2003, met dien verstande dat daarbij gedaagdes beslissing om die maatregel toe te passen is komen te rusten op de grond dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, in verbinding met het tweede lid van die bepaling, aanhef en onder a. Ingevolge dat samenstel van bepalingen dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt doordat hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beŽindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

2.2. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft gedaagde bij besluit van 14 mei 2003 (hierna: het bestreden besluit), appellante een uitkering ingevolge de WW toegekend, onder toepassing van een maatregel, inhoudend dat die uitkering gedurende 26 weken met 35% wordt gekort.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 3 maart 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit, dat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure is betrokken, is ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht het volgende.

4.1. In dit geding is uitsluitend aan de orde of de rechtbank moet worden gevolgd in het oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan blijven. Daarbij spitst het geschil tussen partijen zich toe op de vraag of appellante verwijtbaar werkloos is geworden doordat zij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat zij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beŽindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben.

4.2. Deze vraag beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend. De rechtbank heeft, onder aanhaling van feiten en omstandigheden, ontleend aan gedingstukken van de civiele procedure gevoerd tussen appellante en haar werkgever, terecht geoordeeld dat gedaagde op goede gronden heeft aangenomen dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van de in 2.1. genoemde bepalingen, omdat zij gedurende de laatste jaren van het dienstverband bij Huisartsenpraktijk Dennekruid verwijtbaar niet naar behoren heeft gefunctioneerd en dat de oorzaak voor dit disfunctioneren gelegen is in de persoonlijke sfeer van appellante.

4.3. Hetgeen appellante dienaangaande in hoger beroep heeft aangevoerd bevat grotendeels een herhaling van haar stellingen in eerste aanleg. Die stellingen heeft de rechtbank terecht verworpen op grond van overwegingen die de Raad tot de zijne maakt.

4.4. De Raad voegt hieraan toe dat hij appellante niet kan volgen in het betoog dat gedaagde ten onrechte niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting zelfstandig de relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken en uitsluitend is afgegaan op de tussen appellante en haar werkgever gegeven beschikking van de rechtbank, sector kanton, van 17 mei 2002. De Raad stelt vast dat appellante in bezwaar, beroep, noch hoger beroep gegevens naar voren heeft gebracht die niet reeds in de procedure voor de kantonrechter zijn aangevoerd, in welke procedure appellante en haar werkgever hun standpunten uitvoerig hebben toegelicht. De gedingstukken van die procedure maken deel uit van het dossier dat gedaagde mede aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Gedaagde kon en mocht dan ook bij deze besluitvorming tot uitgangspunt nemen hetgeen partijen in die procedure naar voren hebben gebracht en hij mocht bij die besluitvorming evenzeer het oordeel van de rechtbank, sector kanton, daaromtrent betrekken.

4.5. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x