Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT3524
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging tijdelijk dienstverband leraar. Weigering uitkering en bovenwettelijke uitkering. Referte-eis.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2015 WWCON en 03/2016 WWCON




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde in geding 1,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagde in geding 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde in geding 1 tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 14 maart 2003, nrs. AWB 02/531 en AWB 02/131, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagden hebben verweerschriften ingediend.

Bij brief van 9 januari 2005 heeft appellant zijn beroepschrift aangevuld onder toevoeging van een aantal bijlagen.

De gedingen zijn gevoegd ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 januari 2005, waar partijen, gedaagden met bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil het antwoord op de vraag of gedaagde in geding 1 de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en gedaagde in geding 2 de aanvraag om een bovenwettelijke uitkering ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit Bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijs personeel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (hierna: het Besluit), in verband met de beŽindiging per 1 april 2001 van het tijdelijk dienstverband van 26 uur per week als leraar economie bij de Stichting [naam stichting te plaats], op goede gronden hebben geweigerd.

De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens is ook de Raad van oordeel dat uitgaande van de datum 1 april 2001 als eerste dag van werkloosheid, appellant in de daaraan voorafgaande referteperiode niet kan wijzen op voldoende gewerkte weken of daarmee gelijk te stellen weken om recht te hebben op een WW-uitkering. Nu appellant geen recht heeft op een WW-uitkering komt hij, gelet op de inhoud van artikel 4, eerste lid, van het Besluit, evenmin in aanmerking voor een bovenwettelijke uitkering ingevolge dat Besluit.

Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen nieuwe feiten of gronden. Nu de Raad hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen volledig kan onderschrijven, ziet de Raad geen aanleiding nader op deze herhaalde feiten en gronden in te gaan.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x