Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT3833
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van WW-uitkering in verband met verkregen inkomsten als zelfstandige.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2999 WW en 03/3000 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 28 mei 2003, onder nrs. SBR 02/1213 en SBR 02/1577, tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 februari 2005. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D. van Kampen, advocaat te Utrecht, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is op 1 maart 1995 in dienst getreden als [naam functie] bij Oibibio B.V. te Amsterdam voor 32 uur per week. Daarnaast bleef appellant werkzaam als zelfstandige musicus en componist. Met ingang van 1 september 1997 is appellant door Oibibio B.V. ontslagen in verband met reorganisatie. Naar aanleiding van de aanvraag van appellant van 8 september 1997 heeft gedaagde hem bij besluit van 17 november 1997 met ingang 1 september 1997 een loongerelateerde uitkering en aansluitend een vervolguitkering krachtens de WW toegekend. Daarbij is aan de hand van de door appellant verstrekte gegevens tevens bepaald dat in verband met de door hem verrichte werkzaamheden als zelfstandige een vrijlating van 17,54 uur per week geldt, hetgeen betekent dat alle meer gewerkte uren gekort worden op de uitkering. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Naar aanleiding van de resultaten van een onderzoek, zoals neergelegd in het rapport werknemersfraude van 12 december 2001 dat is opgesteld door de opsporingsdienst regio West van Gak Nederland B.V., heeft gedaagde bij besluit van 22 januari 2002 aan appellant medegedeeld dat de toegekende WW-uitkering met ingang van 1 januari 1998 wordt herzien omdat hij meer heeft gewerkt als zelfstandige en verzuimd heeft alle gewerkte uren op de desbetreffende werkbriefjes te vermelden en dat verder is gebleken dat er in zijn situatie dringende redenen zijn die als verzachtende omstandigheden gelden. Voorts is medegedeeld dat tot terugvordering van de teveel betaalde WW-uitkering zal worden overgegaan. Bij brief van 3 april 2002 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat het besluit van 22 januari 2002 niet juist is en bij besluit van eveneens 3 april 2002 heeft gedaagde het besluit van 22 januari 2002 ingetrokken en zich op het standpunt gesteld dat geen dringende redenen aanwezig worden geacht om aan het niet verstrekken van de juiste inlichtingen geen gevolgen te verbinden.
Bij besluit op bezwaar van 8 mei 2002 (besluit I) zijn de bezwaren tegen het besluit van 3 april 2002 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit een door de opsporingsdienst ingestelde bestandsvergelijking van de gegevens bekend bij de administratie van gedaagde met die van de Belastingdienst is gebleken dat appellant over het jaar 1999 de aftrekpost zelfstandigenaftrek had opgevoerd en dat deze was toegekend. Dat betekent dat appellant over dat jaar minimaal 1225 uur per jaar moet hebben besteed aan het werk als zelfstandige, hetgeen neerkomt op 23,56 uur per week. Aangezien slechts een vrijstelling geldt voor 17,54 uur per week houdt dat in dat de uitkering voor 6,02 uur per week dient te worden beŽindigd. Over de jaren 1998 en 2000 is door appellant bij de Belastingdienst eveneens zelfstandigenaftrek geclaimd en verkregen, zodat vaststaat dat ook over die jaren in die omvang werkzaamheden zijn verricht als zelfstandige.

Bij besluit van 5 april 2002 is van appellant de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 29 december 1997 tot en met 31 december 2000 tot een bedrag van Ä 6.699,35 wegens onverschuldigde betaling teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 8 juli 2002 (besluit II) zijn de bezwaren tegen het besluit van 5 april 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Met betrekking tot de herziening van de uitkering heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 3 april 2002 onmiskenbaar een wijzigingsbesluit is in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2002 terecht mede gericht achtte tegen het besluit van 3 april 2002, zodat appellant het indienen van een nieuw bezwaarschrift achterwege had kunnen laten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het - gemotiveerd - door appellant claimen van zelfstandigenaftrek de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij in het betreffende jaar ten minste 1225 uur, ofwel gemiddeld 23,56 uur per week, als zelfstandige heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij in het betreffende jaar een beduidend geringer aantal uren als zelfstandige heeft gewerkt. Ten aanzien van het beroep van appellant tegen het besluit tot terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het teruggevorderde bedrag onjuist is vastgesteld en dat voorts niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou dienen te worden afgezien.

In hoger beroep heeft appellant gesteld zich niet met het oordeel van de rechtbank te kunnen verenigen. Daartoe is aangevoerd dat hij het besluit van 3 april 2002 niet als een wijzigingsbesluit ziet, als bedoeld in artikel 6:18 , eerste lid, van de Awb, omdat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 januari 2002 niet worden gewijzigd, hetgeen zou moeten leiden tot een vernietiging van besluit I en een proceskostenveroordeling. Voorts is aangevoerd dat de stelling van gedaagde dat appellant meer heeft gewerkt dan de door hem opgegeven 17,54 uur onjuist is en niet gebaseerd is op feitenonderzoek, maar uitsluitend berust op de door hem geclaimde zelfstandigenaftrek. Daarbij wordt betwist dat het hem zonder meer duidelijk had moeten zijn dat hij (bewust) foute inlichtingen heeft verschaft aan gedaagde door geen opgave te doen van de niet direct beloonde werkzaamheden, nu deze uren niet voor hem aan zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt in de weg stonden.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot appellants grieven ten aanzien van het karakter van het besluit van 3 april 2002 en de daaraan volgens hem te verbinden gevolgen stelt de Raad zich achter hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft overwogen. Mitsdien kan het hoger beroep op dit onderdeel niet slagen.

In hoger beroep dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat gedaagde bij besluit I op goede gronden tot herziening van de WW-uitkering met ingang van 1 januari 1998 en bij besluit II terecht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 29 december 1997 tot en met 31 december 2000 is overgegaan.

Die vraag beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, bevestigend en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.

Ook naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde op voldoende overtuigende wijze inzichtelijk gemaakt dat appellant in de hier aan de orde zijnde periode meer uren heeft gewerkt als zelfstandige dan door hem is opgegeven op zijn werkbriefjes. In dit verband acht de Raad niet alleen van betekenis dat appellant heeft bevestigd dat de door hem bij de Belastingdienst opgegeven uren van tenminste 1225 per jaar (ofwel 23,56 per week) over de hier in geding zijnde jaren 1998, 1999 en 2000 juist zijn, maar ook dat hij zelf heeft aangegeven dat hij sedert 1988, 24 uur per week als zelfstandige heeft gewerkt en dat in die situatie geen verandering is gekomen. Tot de gewerkte uren als zelfstandige moeten worden gerekend alle uren die worden besteed aan activiteiten die direct verband houden met die werkzaamheden, zoals in het geval van appellant onder andere de bestede uren aan componeren en repeteren en het verzorgen van zijn administratie, en dus niet alleen de uren waar tegenover een beloning staat of de uren waarop appellant buitenshuis zijn werkzaamheden verrichtte. Het standpunt van appellant dat hij altijd al meer uren als zelfstandige heeft gewerkt dan de bij besluit van 17 november 1997 vastgestelde 17,54 uur kan de Raad niet tot een andersluidend oordeel leiden nu de omvang van de vrij te laten uren in rechte vaststaat. Gedaagde is er dan ook terecht van uitgegaan dat, gelet op het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder a, in verbinding met het tweede lid, van de WW, het recht op uitkering eindigde terzake van het aantal uren dat appellant werkzaamheden verrichtte uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van de wet kon worden beschouwd. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat besluit I op goede gronden is genomen en in rechte stand kan houden.

Nu appellant in hoger beroep de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet heeft aangevochten en de Raad ook overigens niet is gebleken dat besluit II op een onjuiste grondslag berust, heeft de rechtbank terecht beslist dat ook dit besluit in rechte stand kan houden.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x