Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT5530
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De WW-dagloonvaststelling dient te worden bijgesteld indien geheel dan wel ten dele de daaraan verbonden WAO-dagloonvaststelling niet op goede gronden berust.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2690 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is mr. R.L.J.J. Vereijken, juridisch medewerker bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond, op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen tegen de op 23 april 2003, onder nummer 02/1160, tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Roermond.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding geregistreerd onder nummer 03/2724 WAO, behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 maart 2005. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Vereijken, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Huijs, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Voor de basisfeiten volstaat de Raad ermee te verwijzen naar de hierboven genoemde uitspraak van de rechtbank Roermond en naar zijn eigen uitspraak van gelijke datum in de aanpalende zaak, geregistreerd onder 03/2724 WAO.

In dit geding is uitsluitend de vraag aan de orde of het WW-dagloon ziende op het dienstverband van appellant met TC Lichtenberg terecht overeenkomstig het WAO-dagloon is vastgesteld op f 80,59 (lees in feite: f 80,95), zoals begrepen in het bestreden besluit op bezwaar van 23 september 2002.

Het hoger beroep van appellant komt hierop neer dat de WW-dagloonvaststelling ten gunste van appellant dient te worden bijgesteld, indien geheel dan wel ten dele de daaraan verbonden WAO-dagloonvaststelling niet op goede gronden zou berusten.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak eveneens van heden in de zaak 03/ 2724 WAO stelt de Raad vast dat, nu de WAO-dagloonvaststelling ten aanzien van een gerede toepassing van artikel 8 van de Algemene dagloonregelen WAO niet de rechterlijke toetsing inzake een vereiste zorgvuldige en kenbare afweging kan doorstaan, ook de WW- dagloonvaststelling als hieraan verbonden, gelet op artikel 14 van de Dagloonregelen IWS, niet in stand kan worden gelaten.

Dit betekent dat met vernietiging van de aangevallen uitspraak het besluit van 23 september 2002 dient te worden vernietigd. Met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen zal gedaagde opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van appellant.
De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met zijn beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De onderhavige zaak valt aan te merken als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met de zaak 03/2724 WAO die gelijktijdig ter zitting van de Raad is behandeld en waarin appellants gemachtigde is opgetreden. Het gaat hier om twee (nagenoeg) identieke besluiten van gedaagde op grond van een overeenkomend feitencomplex, het hoger beroep is bij de Raad gelijktijdig ingesteld en de werkzaamheden van appellants gemachtigde konden in deze zaken nagenoeg identiek zijn. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de vaststelling van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd waarbij, gelet op de Bijlage, behorend bij het Bpb, vanwege de omstandigheid dat sprake is van twee samenhangende zaken, rekening houdend met de indiening van beroepschriften in eerste aanleg en in hoger beroep en het verschijnen ter zitting in hoger beroep, begroot de Raad de kosten van rechtsbijstand op € 966,--. In deze zaak wijst de Raad ten laste van gedaagde aan appellant de helft van deze kosten toe, zijnde € 483,--.

De Raad beslist derhalve als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 september 2002;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw beslist op appellants bezwaar tegen het besluit van 17 oktober 2002 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 483,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de door appellant betaalde griffierechten van in totaal € 116,--, aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen- Grootjans en prof.mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2005.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) L.M. Reijnierse.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x