Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT5538
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ontslagname wegens verhuizing van de partner. Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3914 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. I.E. Elgersma, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 24 juni 2003, met reg.nr. 03/29 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 januari 2005, waar appellante is verschenen bij gemachtigden mr. Elgersma, voornoemd, en J.I.E. Verheijen, appellantes echtgenoot, en waar gedaagde met bericht niet is verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellante heeft op 27 februari 2002 haar dienstbetrekking van voedingsassistente voor 14 uur per week bij de West-Friese Zorggroep De Omring te Hoorn per 1 april 2002 opgezegd in verband met verhuizing, die het gevolg was van de wijziging van de standplaats van haar echtgenoot. De verhuizing heeft begin juni 2002 plaatsgevonden.

Bij besluit van 10 mei 2002 heeft gedaagde de door appellante op 25 maart 2002 aangevraagde uitkering ingevolge de WW met ingang van 1 april 2002 blijvend geheel geweigerd omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe heeft gedaagde overwogen dat bij een ontslagname wegens verhuizing aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan en dat appellante aan twee daarvan niet voldoet, te weten de voorwaarden dat de onvermijdelijkheid van de verhuizing vaststaat en dat de beëindiging van het dienstverband niet te vroeg voor de verhuisdatum mag liggen.

Gedaagde heeft bij besluit van 27 november 2002 (het bestreden besluit) de bezwaren van appellante tegen het besluit van 10 mei 2002 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder de overweging dat de onvermijdelijkheid van de verhuizing alsnog wordt aangenomen, maar dat gedaagde van oordeel blijft dat de ontslagdatum te vroeg voor de verhuisdatum lag. Van de situatie dat het niet nakomen van de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen appellante niet in overwegende mate kan worden verweten, is gedaagde, naar hij in het bestreden besluit heeft gesteld, niet gebleken.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat, gelet op de periode van meer dan twee maanden tussen het einde van de dienstbetrekking en de verhuisdatum, niet is voldaan aan de in de jurisprudentie gestelde voorwaarde dat de bestaande dienstbetrekking zo lang mogelijk is voortgezet. Voorts was zij van oordeel dat de door appellante aangevoerde omstandigheden, er op neerkomende dat de werkzaamheden die waren voorzien na oplevering van de woning, welke oplevering heeft plaatsgehad op 11 april 2002, als gevolg van een bouwstaking veel later waren afgerond dan was gepland, niet meebrengen dat een verminderde mate van verwijtbaarheid dient te worden aangenomen.

De Raad overweegt als volgt.

In zijn uitspraak van 6 december 2000, LJN AB0575, RSV 2001/62, heeft de Raad geoordeeld dat het spoort met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW dat deze bepaling aldus wordt geïnterpreteerd dat er in beginsel geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, indien aannemelijk is dat met een baanwisseling een aanwijsbaar en reëel belang wordt gediend, en mits tevens is voldaan aan (ten minste) de voorwaarden dat de bestaande dienstbetrekking zo lang mogelijk is voortgezet en dat heen en weer reizen redelijkerwijs onmogelijk is.

Gedaagde heeft naar aanleiding van deze uitspraak een beleid geformuleerd waarin onder meer is vastgelegd dat wordt aangenomen dat de dienstbetrekking zo lang mogelijk is voortgezet indien de datum van het einde van de dienstbetrekking niet meer dan één maand voor de verhuisdatum ligt. Daarbij is tevens aangegeven dat indien dit niet het geval is, nader onderzoek is vereist.

In het voorliggende geval heeft gedaagde, zo begrijpt de Raad het bestreden besluit, overwogen dat de datum van het einde van de dienstbetrekking meer dan één maand voor de verhuisdatum ligt en dat de door appellante aangevoerde bezwaren er niet toe kunnen leiden dat aan dat feit voorbij wordt gegaan.

In zijn uitspraak van 20 oktober 2004, LJN AR4707, heeft de Raad reeds overwogen dat de door gedaagde in het kader van het door hem geformuleerde beleid gehanteerde termijn van één maand tussen de beëindiging van de dienstbetrekking en de verhuizing op zich niet onredelijk is maar dat deze termijn onder omstandigheden ook anders bepaald zou moeten worden. Het beroep van appellante op deze overweging in die uitspraak kan naar het oordeel van de Raad niet slagen. De termijn van één maand is, zo heeft gedaagde in het bestreden besluit aangegeven, gekozen omdat doorgaans een dienstbetrekking per eerste van de maand moet worden opgezegd. Ook appellante diende, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, per eerste van de maand op te zeggen en gesteld, noch gebleken is dat zij, gelet op de arbeidsovereenkomst, dan wel op de aard van haar werkzaamheden, wel in februari 2002 kon opzeggen, maar niet in maart of een latere maand van dat jaar. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat in de voorliggende situatie de voorwaarde dat de bestaande dienstbetrekking zo lang mogelijk wordt voortgezet, zo dient te worden geïnterpreteerd dat aanvaardbaar is te achten dat het einde van de dienstbetrekking meer dan één maand voor de verhuisdatum ligt.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat gedaagde zich in het bestreden besluit op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de werkloosheid van appellante met ingang van 1 april 2002, die het gevolg was van ontslagname door appellante, haar kan worden verweten.

Appellante heeft, zo begrijpt de Raad haar stellingen, tevens betoogd dat de te vroege beëindiging haar, gelet op de door haar aangevoerde omstandigheden, niet in overwegende mate kan worden verweten. Anders dan de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat appellante in deze stelling dient te worden gevolgd. Naar zijn oordeel dient uit de voorhanden zijnde gegevens te worden afgeleid dat appellante, door zich te vergewissen van de datum waarop het te betrekken huis zou worden opgeleverd en door een reële planning aan te houden ter zake van de na de oplevering nog te verrichten werkzaamheden, heeft getracht te voorkomen dat er een langere periode dan één maand zou liggen tussen de datum van de beëindiging van de dienstbetrekking en de verhuisdatum. De omstandigheid dat er zich vervolgens, nadat appellante de dienstbetrekking had opgezegd, een bouwstaking heeft voorgedaan, die heeft meegebracht dat appellante en haar gezin pas later konden verhuizen dan oorspronkelijk was gepland, acht de Raad een omstandigheid die maakt dat de te vroege beëindiging van de dienstbetrekking haar niet in overwegende mate kan worden verweten.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gedaagde dient met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij hij tevens zal dienen in te gaan op het verzoek van appellante tot vergoeding van renteschade.

De Raad ziet termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
Draagt gedaagde op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 116,-- (€ 29,-- en € 87,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x