Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT6121
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Dient het pensioen op de WW-uitkering in mindering te worden gebracht?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/539 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 20 december 2002, met nr. AWB 01/84, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uwv. Als getuige heeft appellant meegenomen [naam getuige].

Na de behandeling van het geding ter zitting is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 3 januari 2005 aan gedaagde verzocht een nader stuk in het geding te brengen. Gedaagde heeft bij schrijven van 1 februari 2005 aan dat verzoek voldaan. Appellant heeft daarop bij schrijven van 10 februari 2005 (met bijlagen) gereageerd.

Het geding is wederom behandeld ter zitting van 9 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer voornoemd.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is tot 1 oktober 1995 werkzaam geweest bij Dow Chemical Benelux N.V. te Hoek. In verband met de beŽindiging van het dienstverband ontving appellant met ingang van 1 oktober 1995 een uitkering van de Stichting Dow Pensioenfonds.

Appellant heeft vervolgens van 3 juni 1996 tot en met 30 juni 2000 gewerkt voor uitzendbureau ACS Computer Support BV (hierna: ACS) te Alphen aan den Rijn. In verband met de beŽindiging van deze werkzaamheden heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd, welke uitkering gedaagde hem bij besluit van 10 augustus 2000 met ingang van 3 juli 2000 heeft toegekend, met dien verstande dat de inkomsten die appellant van de Stichting Dow Pensioenfonds ontvangt op die uitkering geheel in mindering worden gebracht.

Bij besluit van 11 december 2000 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van
10 augustus 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de door appellant van de Stichting Dow Pensioenfonds ontvangen inkomsten een zogenaamd overbruggingspensioen betreffen en dat dit pensioen is aan te merken als een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen van 12 december 1991, Stcrt. 1991, 244. Gelet op artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, in verbinding met artikel 34, achtste lid, van de WW heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank die inkomsten terecht in mindering gebracht op de aan appellant met ingang van 3 juli 2000 toegekende WW-uitkering. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het beroep van appellant op artikel 34, zevende lid, van de WW niet kan slagen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de aldaar genoemde dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder is aangevoerd geen nieuwe gezichtspunten terwijl hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen door de Raad wordt onderschreven. De Raad voegt hier nog aan toe dat de naar zijn oordeel niet voor tweeŽrlei uitleg vatbare tekst van artikel 34, zevende lid, van de WW geen ruimte laat voor de door appellant voorgestane uitleg, die erop neerkomt dat, nu het pensioen van de Stichting Dow Pensioenfonds door appellant werd ontvangen naast de door hem voor ACS verrichte werkzaamheden, dit pensioen niet op de WW-uitkering in mindering dient te worden gebracht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in het voorliggende geval niet is voldaan aan de in artikel 34, zevende lid, van de WW neergelegde - duidelijke - voorwaarde dat de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en de dienstbetrekking waaruit de in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW bedoelde inkomsten worden ontvangen, naast elkaar werden vervuld.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x