Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT6648
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Ontslag op staande voet wegens valsheid in geschrifte. Naderhand voor zover nodig ontbinding door de kantonrechter op neutrale gronden. Weigering WW. Verwijtbare werkloosheid. Heeft het UWV zorgvuldig onderzoek gedaan?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2731 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 15 april 2004, reg.nr. SBR 03/1061, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J.M. Oltmans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant was als hoofdgoederensorteerder/loodsbaas werkzaam bij [werkgever] (hierna: de werkgever). Op 29 mei 2001 is appellant op staande voet ontslagen wegens valsheid in geschrifte bestaande uit het valselijk invullen van het weekoverzicht over week 21 van 2001. De kantonrechter te Utrecht heeft bij beschikking van 10 oktober 2001 de arbeidsovereenkomst per 15 oktober 2001 ontbonden. Appellant heeft vervolgens een aanvraag om een WW-uitkering ingediend.

Bij besluit van 4 juni 2002 heeft gedaagde de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Volgens gedaagde heeft appellant zich bij zijn werkgever zodanig gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen.

Bij het bestreden besluit van 21 maart 2003 heeft gedaagde dit standpunt gehandhaafd. Gedaagde heeft de verklaring van de werkgever terzake van de vermeende fraude, ondersteund door verklaringen van twee ex-collega’s van appellant, aannemelijk geacht. Uit de uitspraak van de kantonrechter blijkt volgens gedaagde dat deze lezing juist is, nu de kantonrechter niet is ingegaan op hetgeen appellant heeft aangevoerd en geen schadevergoeding heeft toegekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat gedaagde een eigen onderzoeksplicht heeft en niet gebonden is aan het oordeel van de kantonrechter in de ontslagzaak. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant de bewuste weekstaat onjuist heeft ingevuld en ondertekend en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de weekstaat niet heeft ingeleverd. Appellant had kunnen voorzien dat dit tot ontslag kon leiden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat appellant als hoofdgoederensorteerder verantwoordelijk was voor het invullen en controleren van weekstaten van zijn medewerkers, dat hij in februari 2001 al was aangesproken op een door hem ingevulde weekstaat en dat volgens de bedrijfsinstructies op de weekstaten de daadwerkelijk gewerkte uren moeten worden ingevuld.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat gedaagde is uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van de werkgever zonder te motiveren waarom aan die verklaringen méér waarde moet worden gehecht dan aan de verklaringen van appellant. De rechtbank heeft hier volgens appellant ten onrechte geen aandacht aan besteed. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de bewuste weekstaat niet heeft ingeleverd en heeft de rechtbank niet gespecificeerd op grond van welke stukken niet aannemelijk zou zijn dat het ontslag voor appellant als een verrassing kwam.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 april 2000, LJN ZB8749, USZ 2000/166, noopt de sedert 1 augustus 1996 geldende wetgeving, die het opleggen van een maatregel in beginsel verplicht stelt alsook de verstrekkende gevolgen van het opleggen van een maatregel als hier aan de orde, te meer tot een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek ter vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden.
Dat geldt zeker in een situatie als de onderhavige waarin de werkgever eerst een ontslag op staande voet geeft, vervolgens de kantonrechter verzoekt de arbeidsovereenkomst - voorzover die bestaat - te ontbinden, waarna bij de mondelinge behandeling van het verzoek het ontslag op staande voet wordt ingetrokken en de kantonrechter vervolgens de arbeidsovereenkomst op zogenoemde neutrale gronden ontbindt.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat gedaagde bij zijn besluitvorming uitsluitend is afgegaan op de stukken die door de werkgever zijn overgelegd in het kader van de kantonrechtersprocedure. Appellant heeft de in die stukken opgenomen verklaringen in bezwaar evenwel gemotiveerd bestreden, hetgeen gedaagde in het geheel niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

De Raad acht deze gang van zaken niet aanvaardbaar. Naar het oordeel van de Raad had gedaagde, gezien de tegenstrijdige verklaringen, tenminste de werkgever van appellant dienen te confronteren met de visie van appellant en de daarbij behorende feiten.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te vernietigen. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant terzake van aan hem verleende rechtsbijstand en wel tot een bedrag van € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, in totaal € 966,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep ten bedrage van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 131,-- (€ 29,-- en € 102,--) aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x