Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT6652
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Arbeidsongeschikte sjouwer met een loonvordering op de werkgever. Betalingsonmacht en faillissement van de werkgever. Wat is de hoogte van het uurloon in het kader van de overname van de loonverplichtingen door het UWV?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/3694 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een op 20 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Rotterdam, reg.nr. WW 02/2308, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde is verschenen bij mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Gedaagde was vanaf 10 augustus 1995 als opruimer/sjouwer in dienst van [werkgever] (hierna: de werkgever). In 1999 is gedaagde arbeidsongeschikt geworden. De werkgever heeft tot en met december 2000 het loon doorbetaald. Op 10 april 2001 is namens gedaagde een conceptdagvaarding aan de werkgever toegezonden waarin onder meer als vordering is geformuleerd het achterstallig loon vanaf 1 januari 2001, berekend naar het salaris van december 2000. Wegens het op 3 april 2001 uitgesproken faillissement van de werkgever is de dagvaarding niet uitgebracht.

Gedaagde heeft appellant verzocht met toepassing van Hoofdstuk IV van de WW de achterstallige betalingen van de werkgever over te nemen. Dat verzoek heeft appellant bij besluit van 24 januari 2002 toegewezen. In de overgenomen bedragen heeft appellant niet verwerkt de salarisverhogingen per 1 januari 2001 en 1 maart 2001 die gedaagde krachtens de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf toekwam. Bij het op bezwaar gegeven besluit van 22 juli 2002 (het bestreden besluit) heeft appellant overwogen dat het niet claimen van het juiste uurloon geheel voor risico van gedaagde komt en dat daarom moet worden uitgegaan van het uurloon zoals dat door de werkgever is betaald en door gedaagde is geaccepteerd.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat appellant naar haar oordeel op het bezwaar had beslist in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellant betwist de juistheid van het oordeel van de rechtbank met betrekking tot artikel 7:11 van de Awb en herhaalt in hoger beroep niet gehouden te zijn bij overneming van de betalingsverplichtingen van de werkgever met voornoemde CAO rekening te houden omdat daarmee in de conceptdagvaarding ook geen rekening is gehouden. Hij stelt zich op het standpunt dat niet vaststaat dat het hogere loon door de werkgever daadwerkelijk zou zijn betaald indien deze niet betalingsonmachtig was geworden.

De Raad overweegt als volgt.

Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, heeft appellant naar het oordeel van de Raad na gemaakt bezwaar tegen het besluit 24 januari 2002 zijn besluitvorming volledig heroverwogen. Uit de tekst van het bestreden besluit blijkt ook niet anders.

Tussen partijen is niet in geschil dat tot het rechtens geldende loon, als bedoeld in artikel 67, aanhef en onder a, van de WW, waarop gedaagde jegens de werkgever aanspraak heeft, moet worden gerekend de salarisverhogingen volgens de CAO per 1 januari en 1 maart 2001. Uit de stukken blijkt voorts - en is tussen partijen evenmin in geschil - dat de werkgever tot 1 januari 2001 het loon conform de CAO placht te betalen. De gedingstukken bevatten geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat de werkgever, indien hij niet betalingsonmachtig was geworden, niet het CAO-loon zou hebben betaald. De omstandigheid dat in de conceptdagvaarding is uitgegaan van een lager uurloon, maakt dat niet anders. Bovendien bestond in het geding bij de kantonrechter, indien tot dagvaarding zou zijn overgegaan op basis van het voorliggende concept, de mogelijkheid van vermeerdering van eis.

De conclusie moet dan ook zijn dat appellant bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de salarisverhogingen van 1 januari en 1 maart 2001.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde, begroot op 322,-- te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) J.P. Grauss.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x