Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT6746
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Klassenassistent. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter op verzoek van betrokkene. Is hij verwijtbaar werkloos geworden? Is de weigering van WW-uitkering terecht? Is de bestuursrechter bevoegd te oordelen over de weigering van bovenwettelijke uitkering?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/1709 WW en 03/1712 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde in het geding 03/1709 WW, hierna: gedaagde 1, en
de Stichting Hogeschool Zuyd, gedaagde in het geding 03/1712 WW, hierna: gedaagde 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde 1 tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. M.M.A. Straatman-Selij, advocaat te Maastricht, op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 februari 2003, nr. 02/306 WW en 02/307 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 12 januari 2005, waar appellant - zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uwv.

Na die behandeling heeft de Raad het onderzoek heropend. Desgevraagd heeft gedaagde 2 de Raad bij brief van 7 maart 2005 doen weten dat hij niet als belanghebbende aan het geding 03/1709 WW zal deelnemen.

Partijen hebben vervolgens toestemming verleend verdere behandeling ter zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Appellant is vanaf 2 juni 1998 op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij de Hogeschool Maastricht, later genaamd de Hogeschool Zuyd, laatstelijk als lokaal- en klassenassistent.

Bij beschikking van 27 september 2001 heeft de kantonrechter op verzoek van appellant de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2001 ontbonden, waarbij aan appellant een vergoeding is toegekend, overeenkomend met drie netto maandsalarissen.

Naar aanleiding van de aanvraag van appellant van een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft gedaagde 1 bij besluit van 4 december 2001 aan appellant meegedeeld dat de WW-uitkering blijvend en geheel wordt geweigerd op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is geworden.

Op het verzoek van appellant hem een bovenwettelijke uitkering toe te kennen is bij brief van 4 december 2001 afwijzend beslist, op de grond dat geen recht op WW-uitkering bestaat.

Het bezwaar tegen het besluit betreffende de WW-uitkering heeft gedaagde 1 bij het bestreden besluit van 29 januari 2002 ongegrond verklaard. Gedaagde 1 stelt zich blijkens dat besluit, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, op het standpunt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zonder duidelijke noodzaak de kantonrechter heeft verzocht de arbeidsoverkomst te ontbinden.

Bij besluit van dezelfde datum is namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het bezwaar tegen het niet toekennen van een bovenwettelijke uitkering ongegrond verklaard. Bij het verweerschrift in eerste aanleg is aangegeven, dat de ondertekening een verschrijving was en dat het besluit is genomen namens de Stichting Hogeschool Zuyd.

De rechtbank heeft de beroepen tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot de WW-uitkering.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt.
Op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden, indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat, indien de werknemer de verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval wordt de uitkering gedeeltelijk geweigerd over een periode van 26 weken door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

In geding is de vraag of gedaagde 1 op goede gronden heeft aangenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Die vraag beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, bevestigend. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. Ook naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de verhouding tussen appellant en zijn leidinggevende tot een zodanig onaanvaardbare situatie heeft geleid dat appellant niets anders restte dan de weg van ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Uit de gespreksverslagen die zich onder de gedingstukken bevinden kan bovendien genoegzaam worden afgeleid dat de werkgever zich aanzienlijk soepeler heeft opgesteld ten aanzien van de wensen van appellant met betrekking tot de inhoud van zijn functie en de werktijden dan in de visie van appellant het geval is geweest.
Hetgeen appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd, bevat geen nieuwe gezichtspunten, zodat hier volstaan wordt met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de weigering appellant een WW-uitkering toe te kennen, niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor bevestiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot de bovenwettelijke uitkering.

In het op de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHOWO) gebaseerde Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen (Stb. 1999, 528; hierna: Decentralisatiebesluit) zijn regels vastgesteld ter verdere vermindering van overheidsregels van rechtspositionele aard op het terrein van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
In artikel 2, eerste lid, van het Decentralisatiebesluit is bepaald dat de bepalingen van dat besluit regels zijn voor onderzoeksinstellingen en voor openbare universiteiten en hogescholen, alsmede voorwaarden voor bekostiging van bijzondere universiteiten en hogescholen. In artikel 1.10 van de WHOWO is een soortgelijke bepaling opgenomen ten aanzien van onder meer hoofdstuk 4 van die wet, welk hoofdstuk bepalingen geeft omtrent het personeel.
In artikel 4 van het Decentralisatiebesluit zijn criteria gegeven voor de vaststelling van regels voor uitkeringen wegens werkloosheid.
Op basis van het Decentralisatiebesluit is de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Hoger Beroepsonderwijs (hierna: BWRHBO) tot stand gebracht door de HBO-raad, de Vereniging van hogescholen en de werknemersorganisaties.

De Raad gaat ervan uit dat gedaagde 2 heeft besloten de BWRHBO toe te passen op het bij hem werkzame personeel. De Hogeschool Zuyd is een bijzondere school. Gezien de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen is ter zake van de vaststelling van regels voor uitkeringen wegens werkloosheid geen regelgevende bevoegdheid toegekend aan bijzondere hogescholen, maar moet de vaststelling van gedaagde 2 van de BWRHBO worden gezien als het voldoen aan een bekostigingsvoorwaarde. Dit betekent dat de beslissing over aanspraken van appellant ingevolge de BWRHBO niet berust op een publiekrechtelijke, maar op een privaatrechtelijke grondslag.

Zoals ook door de gemachtigde van gedaagde 2 ter zitting is aangegeven, ontbeert derhalve de beslissing van 4 december 2001 waarbij is geweigerd appellant een bovenwettelijke uitkering toe te kennen, een publiekrechtelijke grondslag, zodat die beslissing geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt en geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Datzelfde geldt ook voor de beslissing van 29 januari 2002 waarbij die eerdere beslissing is gehandhaafd.

Met het oog op artikel 8:71 van de Awb constateert de Raad dat terzake van het geschil tussen appellant en gedaagde 2 over het al dan niet toekennen van een bovenwettelijke uitkering uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
De rechtbank had zich dan ook onbevoegd moeten verklaren met betrekking tot het door appellant tegen de beslissing van 29 januari 2002 van gedaagde 2 ingestelde beroep.
De aangevallen uitspraak komt in zoverre dan ook voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de Raad termen aanwezig gedaagde 2 te veroordelen in de aan de zijde van appellant gevallen kosten wegens verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 644,-- in eerste aanleg en € 322,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de weigering van een WW-uitkering;
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep ter zake van de bovenwettelijke uitkering, en verklaart de rechtbank in zoverre onbevoegd;
Veroordeelt gedaagde 2 in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 966,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de Stichting Hogeschool Zuyd het door appellant in beide instanties betaalde griffierecht van totaal € 111,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. B.M. van Dun en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x