Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT6820
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning kortdurende WW-uitkering en weigering loongerelateerde WW-uitkering omdat betrokkenen niet voldoen aan de vier-uit-vijfeis.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/4999 WW en 02/5000 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellanten], hierna appellanten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellanten heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 25 september 2002, onder nummer 01/665 en 01/666 WW, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 2 februari 2005, waar van de zijde van appellanten - zoals aangekondigd - niemand is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Krijnen, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Aan de aangevallen uitspraak en de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellanten, [in] 1999 beide 45 jaar of ouder, zijn met ingang van 1 januari 1997 in dienst getreden bij [naam bedrijf] (hierna: [bedrijfsnaam]). Daarvóór hebben appellanten, tezamen met hun broer [broer], een eigen transportbedrijf geëxploiteerd, [naam bedrijf]. Bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 19 oktober 2000 is [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 19 oktober 2000 heeft de curator aan appellanten ontslag aangezegd met inachtneming van de wettelijke, in overleg met gedaagde vast te stellen, opzegtermijn.

2.2. Naar aanleiding van een daartoe gedaan verzoek heeft gedaagde bij besluiten van 17 november 2000 de loonbetaling van de failliete werkgever overgenomen over de opzegtermijn vanaf de ontslagdatum tot en met 21 december 2000, zijnde een periode van negen weken. Tegen deze besluiten is door appellanten geen bezwaar gemaakt.

2.3. Op 4 januari 2001 hebben appellanten een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluiten van respectievelijk 24 en 16 januari 2001 heeft gedaagde appellanten met ingang van 22 december 2000 in aanmerking gebracht voor de kortdurende uitkering als bedoeld in artikel 52a e.v. van de WW. Appellanten komen volgens gedaagde niet in aanmerking voor een loongerelateerde uitkering als bedoeld in artikel 15 e.v. van de WW, omdat zij niet voldoen aan de eis dat zij in de vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin de eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier kalenderjaren over 52 dagen of meer loon hebben ontvangen. Appellanten hebben in bezwaar tegen dit besluit naar voren gebracht dat uitgegaan moet worden van de opzegtermijn die de curator met toepassing van artikel XXI van de Wet flexibiliteit en zekerheid in acht had moeten nemen en dat rekening moet worden gehouden met opzegging tegen het einde van de maand, waardoor de eerste werkloosheidsdag in 2001 komt te liggen en wordt voldaan aan de zogenoemde vier-uit-vijfeis.

2.4. Bij de thans bestreden besluiten van respectievelijk 16 en 21 mei 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 24 en 16 januari 2001 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen, na te hebben vastgesteld dat het geschil zich toespitst op beantwoording van de vraag in welk jaar de eerste werkloosheidsdag van appellanten gelegen is en dat de beantwoording van die vraag afhankelijk is van de vraag of ten aanzien van appellanten de juiste opzegtermijn in acht is genomen en, dat gelet op artikel 40 van de Faillissementswet (Fw) zoals dat artikel sedert 1 januari 1999 luidt, de opzegtermijn gemaximeerd moet worden op zes weken. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de overgangsbepaling van artikel XXI van de Wet flexibiliteit en zekerheid niet van toepassing is, omdat deze bepaling niet ziet op situaties waarin ontslag plaatsvindt tijdens een faillissement. Los van de vraag of door gedaagde een juiste aanzegtermijn is gehanteerd, komt de rechtbank tot het oordeel dat de dienstbetrekkingen van appellanten in ieder geval eindigden in de maand december van het jaar 2000, zodat gedaagde terecht tot het oordeel is gekomen dat appellanten niet voldoen aan de vier-uit-vijfeis. Aan de periode die appellanten vóór 1 januari 1997 niet in dienstverband hebben gewerkt komt in dit verband naar het oordeel van de rechtbank geen betekenis toe.

4. In hoger beroep hebben appellanten - wederom - naar voren gebracht dat uitgaande van de juiste opzegdag en de in acht te nemen opzegtermijn ex artikel 40 Fw juncto artikel 7:672, lid 2, BW, de eerste werkloosheidsdag na 1 januari 2001 valt, zodat zij alsdan wel voldoen aan de vier-uit-vijfeis en in aanmerking moeten worden gebracht voor een loongerelateerde WW-uitkering.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In deze gedingen is de vraag aan de orde of gedaagde appellanten op goede gronden per 22 december 2000 slechts in aanmerking heeft gebracht voor een kortdurende WW-uitkering. Daartoe is bepalend dat appellanten slechts aan de vier-uit-vijfeis van artikel 17, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voldoen en bijgevolg alleen voor een loongerelateerde uitkering in aanmerking kunnen komen, indien de eerste werkloosheidsdag gelegen is in 2001.

5.2. Bij zijn uitspraak van 27 april 2005 (LJN AT4656) heeft de Raad, anders dan de rechtbank in de door appellanten aangevallen uitspraak - kort samengevat - geoordeeld dat de overgangsregeling, zoals die ten aanzien van werknemers die [in] 1999 45 jaar of ouder waren is neergelegd in artikel XXI van de Wet flexibiliteit en zekerheid, ook geldt voor artikel 40 van de Fw en dat de curator dit artikel dient te betrekken bij de vaststelling van de opzegtermijn ingevolge artikel 40 van de Fw. Voorts is de Raad in deze uitspraak tot het oordeel gekomen dat voor de uitleg van artikel 64, aanhef en onder b, van de WW, voor zover dat artikel verwijst naar artikel 40 van de Fw, het in artikel XXI van de Wet flexibiliteit en zekerheid neergelegde overgangsregime in aanmerking moet worden genomen.

5.3. Het vorenstaande betekent dat de door de curator ten aanzien van appellanten, die [in] 1999 ouder waren dan 45 jaar, op grond van artikel XXI van de Wet flexibiliteit en zekerheid toepassing gevende aan artikel 40 van de Fw en artikel 7:672, eerste en tweede lid, van het BW, zoals deze artikelen luidden tot 1 januari 1999, op 19 oktober 2000 in acht te nemen opzegtermijn zes weken bedroeg. Die termijn eindigt op 30 november 2000 en valt dus samen met het einde van de maand. Aan hetgeen appellanten nog hebben gesteld omtrent de zogenoemde aanzegtermijn, kan derhalve voorbij worden gegaan. Daaruit volgt weliswaar dat gedaagde ten onrechte de eerste werkloosheidsdag op 22 december 2000 heeft gesteld, maar ook dat die dag niet in 2001 is gelegen en derhalve terecht slechts een kortdurende WW-uitkering is toegekend omdat appellanten niet aan de vier-uit-vijfeis voldoen.

5.4. Appellanten hebben nog gesteld dat voor hen een langere opzegtermijn zou gelden omdat de jaren die zij werkzaam zijn geweest voor [naam bedrijf] dienen mee te tellen voor de berekening van de opzegtermijn. Daaromtrent overweegt de Raad dat appellanten toen niet werkzaam waren op basis van een arbeidsovereenkomst. Voor zover met dat betoog is bedoeld te stellen dat met [bedrijfsnaam] een langere opzegtermijn was overeengekomen, overweegt de Raad dat appellanten dat op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt. Als bewijs daarvoor kan de Raad in elk geval niet aanvaarden de bepaling in artikel 6, onder 2 van de arbeidsovereenkomst van appellant J. Janssen d.d. 1 juli 2000 omtrent de diensttijd. Daarbij kan de Raad er niet aan voorbij gaan dat appellanten geen bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 17 november 2000 waarbij in het kader van hoofdstuk IV van de WW het einde van de opzegtermijn op 21 december 2000 is gesteld.

6.1. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak, onder verbetering van gronden, te worden bevestigd.

6.2. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x