Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT7491
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht de FPU-uitkering in mindering gebracht op de WW-uitkering? Ouderdomspensioen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/5935 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van l januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 oktober 2002, nr. AWB 01/1468 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2005. Appellant is in persoon verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

2.1. Appellant, geboren [in] 1939, is van 1 november 1976 tot 1 augustus 2000 in publiekrechtelijke dienstbetrekking geweest bij de gemeente Tiel, naar een urenomvang van 38 per week. Per 1 januari 1996 is appellant op non-actief gesteld. Tussen appellant en het gemeentebestuur van Tiel is op 22 januari 1996 een convenant gesloten, ingevolge welke convenant appellant geheel is vrijgesteld van het verrichten van diensten voor de gemeente Tiel, onder behoud van 75% van de bezoldiging, tot de dag waarop appellant de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt en hij gebruik kan maken van een algemene regeling tot uittreden. Appellant was toegestaan tot 110% van de bezoldiging inkomsten uit nevenwerkzaamheden te verwerven.

2.2. Vervolgens is appellant met ingang van 31 maart 1996 als taxichauffeur op afroep in dienst getreden van Taxibedrijf [naam taxibedrijf]. (hierna: [naam taxibedrijf]). De arbeidsovereenkomst die ten grondslag lag aan deze dienstbetrekking is door de kantonrechter ontbonden met ingang van 7 april 1999. Terzake van het arbeidsurenverlies in die dienstbetrekking is appellant door gedaagde met ingang van 31 augustus 1998 een uitkering ingevolge de WW toegekend op basis van een gemiddeld aantal arbeidsuren van 17,84 per week.

2.3. Bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar heeft appellant gebruikgemaakt van een in de gemeente Tiel van toepassing zijnde Flexibele Pensioen- en Uittredingsregeling (hierna: FPU-regeling), ingevolge welke regeling appellant met ingang van 1 augustus 2000 een periodieke uitkering is toegekend.

2.4. Bij besluit van 29 september 2000 heeft gedaagde besloten dat appellant met ingang van 31 augustus 1998 geen uitkering ingevolge de WW toekomt, omdat hij toen ook een volledig salaris van de gemeente Tiel ontving. Bij het bestreden besluit van 4 juli 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 september 2000 gegrond verklaard en is beslist dat de periodieke uitkering op grond van de FPU-regeling met ingang van 1 augustus 2000 op de WW-uitkering geheel in mindering wordt gebracht, waardoor deze laatste uitkering niet tot uitbetaling komt.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. De Raad heeft het volgende overwogen.

4.1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW worden op de uitkering ingevolge die wet geheel in mindering gebracht inkomsten wegens ouderdomspensioen. Ingevolge het achtste lid van die bepaling wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Op grond van diezelfde bepaling is de minister bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen. Van die bevoegdheid is gebruikgemaakt in de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen, Stcrt. 1991, 244 (hierna: regeling Gelijkstelling). Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van deze regeling wordt met een ouderdomspensioen gelijkgesteld een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering die bij wijze van oudedagsvoorziening is toegekend voorafgaande aan een recht op ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de WW.
Ingevolge artikel 34, zevende lid, van de WW worden, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, de in onderdeel b van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat de periodieke uitkeringen op grond van de hier in geding zijnde FPU-regeling moeten worden beschouwd als inkomsten wegens ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 34, eerste lid aanhef en onder b, van de WW in verbinding met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling Gelijkstelling.

4.3. Partijen strijden uitsluitend over de vraag of gedaagde terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 34, zevende lid, van de WW, door de in die bepaling vervatte uitzondering niet op appellants inkomsten uit de FPU-regeling van toepassing te achten. Appellant acht dit een onjuist standpunt omdat hij van mening is dat de inkomsten uit die regeling betrekking hebben op de dienstbetrekking bij de gemeente Tiel en die dienstbetrekking voor het intreden van de werkloosheid werd vervuld naast de dienstbetrekking bij [naam taxibedrijf]. Dienaangaande heeft hij in hoger beroep dezelfde argumenten naar voren gebracht als in eerste aanleg.

4.4. De Raad stelt hieromtrent met de rechtbank vast dat appellant de uitkering ingevolge de FPU-regeling na het intreden van de werkloosheid heeft ontvangen en dat de uitkering ingevolge de FPU-regeling betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan. Voorts stelt de Raad vast dat appellant in de periode van 31 maart 1996 tot 1 augustus 1998 zowel tot de gemeente Tiel als [naam taxibedrijf] in dienstbetrekking heeft gestaan. Ten gevolge van de op non-actiefstelling per 1 januari 1996 bij de gemeente Tiel heeft appellant echter zijn dienstbetrekking aldaar vanaf die datum niet meer vervuld. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat van het vervullen van een dienstbetrekking immers eerst sprake is indien binnen de dienstbetrekking de verplichting bestaat arbeid te verrichten. Bij de onderhavige op non-actiefstelling was deze verplichting opgeheven.

4.5. In het convenant noch in de overige gedingstukken heeft de Raad steun gevonden voor de ook overigens niet onderbouwde door appellant gedane bewering dat hij feitelijk uitvoering bleef geven aan de dienstbetrekking bij de gemeente Tiel omdat niet uitgesloten was dat hij, bijvoorbeeld via detachering, werkzaamheden zou moeten verrichten die niets te maken zouden hebben met de werkzaamheden waarmee de op non-actiefstelling verband hield. Het daaromtrent door appellant gestelde is dan ook niet aannemelijk, nog daargelaten of, indien dit anders zou zijn, daarmee wl gesproken moet worden van het vervullen van die dienstbetrekking in de zin van artikel 34, zevende lid, van de WW.

4.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het onderhavige geval van het naast elkaar vervullen van dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid geen sprake is geweest. Dit leidt tot het oordeel dat de in artikel 34, zevende lid, van de WW voorziene uitzondering op artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW zich in appellants geval niet voordoet en dat gedaagde terecht heeft besloten de uit de FPU-regeling voortvloeiende periodieke uitkering geheel in mindering te brengen op de WW-uitkering van appellant.

5. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding een der partijen in de proceskosten te veroordelen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. lAmi als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) S. lAmi.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x