Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT7536
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht de WW-uitkering beŽindigd en teruggevorderd? Is betrokkene volledig aan te merken als werknemer of als startende ondernemer op wie de speciale regeling van toepassing is?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/6504 WW en 04/549 WW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. A. MŁller, advocaat te Tilburg, op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen door de rechtbank Roermond respectievelijk op 5 november 2003, nr. 03/709 WW K1, (uitspraak 1) en op 17 december 2003, nr. 03/997 WW K1, (uitspraak 2) gegeven uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting, gehouden op 20 april 2005, waar appellant, met bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraken is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.



03/6504 WW

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat gedaagde de WW-uitkering die aan appellant was toegekend van 19 november 2001 tot 1 augustus 2002 terecht heeft beŽindigd met ingang van 1 februari 2002 op de grond dat appellant vanaf die dag volledig als werknemer werkzaam is geweest en niet als startende zelfstandige op wie de speciale regeling van artikel 4 van het Tijdelijk besluit inkomstenkorting startende zelfstandigen WW van toepassing was.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van uitspraak 1.
Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, met name op de statuten van de door appellant en LOBO B.V. opgerichte besloten vennootschap, is ook de Raad van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 2002 als werknemer fulltime werkzaam is geweest. Appellant kon om die reden geen aanspraak maken op voormelde regeling. Nu appellant met ingang van 1 februari 2002 niet meer werkloos was, is zijn recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW met ingang van die dag geŽindigd.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen reeds eerder is aangevoerd geen nieuwe feiten of gronden. Nu de Raad hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen volledig kan onderschrijven, ziet de Raad geen aanleiding nader op deze herhaalde feiten en gronden in te gaan.

Uitspraak 1 komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.



04/549 WW

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat gedaagde de aan appellant over de periode van 1 februari 2002 tot 1 augustus 2002 verstrekte WW-uitkering ten bedrage van Ä 8.960,-- terecht als onverschuldigd betaald heeft teruggevorderd.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van uitspraak 2. Ook de Raad is van oordeel dat, nu vaststaat dat appellant over de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 juli 2002 geen recht had op een WW-uitkering, gedaagde op goede gronden tot terugvordering van voormeld bedrag is overgegaan.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

Uitspraak 2 komt derhalve eveneens voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als hierna aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. líAmi als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) S. líAmi.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x