Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT7577
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht WW-uitkering geweigerd omdat betrokkene door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/2686 WW en 05/992 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ís-Gravenhage op 14 april 2004, reg.nr. AWB 03/4037 WW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een nader genomen besluit is overlegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 april 2005, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. Klinkert, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant is vanaf 25 november 2002 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar werkzaam geweest als beveiligingsmedewerker bij Securicor Beveiliging BV (hierna: Securicor). Voorwaarde voor de uitoefening van de functie was het bezit van een geldig legitimatiebewijs.
Omdat de geldigheid van het legitimatiebewijs van appellant zou verlopen op 6 mei 2003 heeft Securicor op 14 maart 2003 de politie verzocht om toestemming voor het werken van appellant als beveiligingsmedewerker. Bij brief van 10 april 2003 deelde de politie hierop mee dat de toestemming niet wordt verleend vanwege het feit dat appellant op 25 februari 2000 door de politierechter te Roermond tot een geldboete van f 1.200,-- subsidiair 24 dagen hechtenis wegens valsheid in geschrifte en op 16 januari 2003 door de politierechter te ís-Gravenhage tot een werkstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis ter zake van bijstandsfraude is veroordeeld. Daarnaast is er op 8 maart 2003 door de echtgenote van appellant aangifte gedaan ter zake van mishandeling, welke zaak op 7 juli 2003 is geseponeerd door de officier van justitie. Securicor heeft de arbeidsovereenkomst met appellant op 23 april 2003 beŽindigd. Op 23 mei 2003 heeft appellant een aanvraag om uitkering ingevolge de WW ingediend, welke hem bij besluit van 18 juni 2003 met ingang van 24 april 2003 is geweigerd. Bij besluit op bezwaar van 21 augustus 2003 is die weigering gehandhaafd. Gedaagde heeft hiertoe overwogen dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden als gevolg van de hiervoor vermelde appellant te verwijten gebeurtenissen. Als die niet waren voorgevallen zou het legitimatiebewijs niet zijn ingenomen en zou er geen einde aan het dienstverband met Securicor zijn gekomen, aldus gedaagde.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2003 gegrond verklaard, dit besluit - onder toewijzing van proceskosten en griffierecht - vernietigd voor zover daarbij de WW-uitkering per 24 april 2003 blijvend geheel wordt geweigerd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daarbij is gedaagde tevens opgedragen bij dat nieuwe besluit te beoordelen of er aanleiding bestaat appellant schadevergoeding toe te kennen.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het appellant is te verwijten dat zijn arbeidsovereenkomst is beŽindigd, nu vaststaat dat de redenen daarvoor de veroordelingen voor valsheid in geschrifte, bijstandsfraude en een proces-verbaal terzake van huiselijk geweld zijn geweest. Appellant had door de aard van de functie kunnen voorzien dat voormelde feiten een beŽindiging van de arbeidsovereenkomst zouden kunnen betekenen, nu deze functie vereist dat men betrouwbaar moet zijn en het hebben van een strafrechtelijk verleden er in beginsel aan in de weg staat deze functie te vervullen. Gedaagde is naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden met als gevolg dat gedaagde in beginsel gehouden was de uitkering blijvend geheel te weigeren. De rechtbank is echter van oordeel dat het appellant niet in overwegende mate kan worden verweten dat hij zijn verplichting te voorkomen dat hij werkloos zou worden niet is nagekomen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de eerste veroordeling en de feiten die hebben geleid tot de tweede veroordeling blijkbaar niet in de weg hebben gestaan aan de verstrekking van het legitimatiebewijs en dat aan appellant ondanks de veroordelingen thans op grond van de hardheidsclausule wel zoín bewijs is verstrekt. Daaruit heeft de rechtbank afgeleid dat het hebben van een strafrechtelijk verleden, kennelijk niet per definitie tot een onthouding van een legitimatiebewijs hoeft te leiden.

In hoger beroep blijft appellant zich op het standpunt stellen dat het dienstverband niet door zijn toedoen is beŽindigd. De omstandigheid dat hij niet tijdig een geldig legitimatiebewijs had, ligt naar zijn mening aan de late aanvraag van de werkgever en de trage afhandeling van het verzoek door de politie. Bovendien zou er volgens appellant geen rechtstreeks verband tussen de beŽindiging van het dienstverband en de door hem gepleegde strafbare feiten bestaan. Appellant is verder van opvatting dat hij tijdens zijn dienstverband zijn foute gedrag niet meer kon corrigeren om ontslag te voorkomen. Ingeval komt vast te staan dat hij door eigen toedoen is ontslagen is er zijns inziens geen sprake van het niet behouden van passend werk.

Hangende het hoger beroep heeft gedaagde ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 3 mei 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij is besloten dat aan appellant op en na 24 april 2003 een WW-uitkering toekomt, onder toepassing van een maatregel van 35% gedurende 26 weken in verband met verminderde verwijtbaarheid ter zake van de ontstane werkloosheid. Aangezien met dit besluit niet geheel aan het beroep is tegemoet gekomen, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 mei 2004.

Met betrekking tot de vraag of het besluit van 3 mei 2004 in rechte stand kan houden overweegt de Raad als volgt.

Evenals de rechtbank - met overneming van de overwegingen van de aangevallen uitspraak - is de Raad van oordeel dat appellant te verwijten valt dat hij door zijn toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Ook de Raad houdt het er voor dat appellant zich bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst had moeten realiseren dat de reeds ingezette vervolging vanwege het door hem gepleegde tweede strafbare feit tot een gerechtelijke veroordeling zou kunnen leiden. Door onder die omstandigheden toch te gaan werken als beveiligingsmedewerker heeft appellant het risico genomen dat zijn dienstverband voortijdig zou worden beŽindigd. De Raad is tenslotte van oordeel dat de gebeurtenissen die tot beŽindiging van de arbeidsovereenkomst hebben geleid binnen de risicosfeer van appellant liggen en voor diens rekening komen.

Gelet op het vorenstaande beantwoordt de Raad voormelde vraag bevestigend.

Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. De omstandigheid dat de werkgever in een laat stadium om verlenging van het legitimatie heeft gevraagd acht de Raad voor de beantwoording van voormelde vraag niet van doorslaggevende betekenis. Evenmin acht de Raad het feit dat appellant zich in de periode dat hij in dienst was, niet meer kon verbeteren relevant. Wat de passendheid van de arbeid betreft is de Raad van oordeel dat deze toen appellant in dienst trad op 25 november 2002 zeker passend was te noemen. Appellant was toen in het bezit van een geldig legitimatiebewijs en voldeed derhalve aan de voorwaarden voor het functioneren als beveiligingsmedewerker.

De Raad constateert dat gedaagde bij zijn besluit van 3 mei 2004 niet is ingegaan op het verzoek van appellant tot vergoeding van renteschade ter zake van het, door de rechtbank vernietigde besluit van 21 augustus 2003. Nu vaststaat dat appellant schade lijdt, acht de Raad dat verzoek voor inwilliging vatbaar, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op 1 september 2003. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar ís Raads uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, RSV 1996/182.

De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Beslist wordt als hierna aangegeven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 3 mei 2004 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van Ä 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht van Ä 102,-- aan appellant vergoedt;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van renteschade als hiervoor is aangegeven.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x