Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8133
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Loongerelateerde- en vervolguitkering WW. Heeft betrokkene recht op een langere duur van de uitkering? Voldoet betrokkene aan de referte-eis?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/1707 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ís-Hertogenbosch op 11 februari 2004, nr. AWB 03/1436 WW, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2005, waar appellant en zijn gemachtigde, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.M.G.M.W. Heijnen, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij besluit van 21 november 2002 heeft gedaagde appellant met ingang van 10 september 2002 een loongerelateerde uitkering krachtens de WW toegekend voor de duur van twee jaar alsmede een vervolguitkering voor de duur van twee jaar.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen dat besluit bij het bestreden besluit van 10 april 2003 gedeeltelijk gegrond verklaard en de duur van de loongerelateerde uitkering bepaald op tweeŽnhalf jaar.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van 10 april 2003 ongegrond verklaard.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de WW is, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan, de duur van de loongerelateerde uitkering bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaren, tweeŽnhalf jaar. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het arbeidsverleden wordt berekend door samentelling van (a) het aantal kalenderjaren, gelegen in de in artikel 17, onderdeel b, onder 1?, bedoelde periode, waarover de werknemer aantoont over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen en (b) het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot die periode.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of appellant gedurende de laatste vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag, minimaal 52 dagen per jaar loon heeft ontvangen. Het geding spitst zich daarbij toe op de vraag of appellant gedurende het kalenderjaar 1998 heeft voldaan aan de eis van tenminste
52 loondagen.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij in 1998 over 52 dagen of meer loon heeft ontvangen. Ook de Raad wijst daarbij op de zich onder de gedingstukken bevindende verklaringen van dienstbetrekking, opgesteld ten behoeve van de Rijksverkeersinspectie, van 1 november 1998 en van 1 januari 1999, waarop is vermeld dat de dienstbetrekking van appellant bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam werkgever]) op 1 november 1998 is aangevangen. Appellant en zijn werkgever hebben verklaard dat de op het betreffende formulier vermelde gegevens naar waarheid zijn ingevuld, zodat de Raad van de juistheid daarvan uitgaat hetgeen met zich brengt dat, zoals ook door gedaagde met juistheid is vastgesteld, voor 1998 sprake was van 44 loondagen.

In de overige gegevens ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel. Ten aanzien van de tewerkstellingsvergunning over de periode van 21 oktober 1998 tot 1 mei 1999 heeft de rechtbank terecht overwogen dat [naam werkgever] op grond van die vergunning gerechtigd was appellant gedurende deze periode arbeid te laten verrichten, maar dat daarmee niet is aangetoond dat appellant ook op 21 oktober 1998 daadwerkelijk in dienst is getreden bij deze werkgever.

Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde uittreksels uit het kasboek en kwitanties heeft gedaagde terecht gesteld dat de herkomst van die stukken onduidelijk is en dat daaruit niet onomstotelijk blijkt van salarisbetalingen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2005.

(get.) H. Bolt.

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x