Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8166
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en beŽindiging van het recht op WW-uitkering. Terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2255 WW en 03/4072 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellant heeft mr. R.A.A. Maat, advocaat te Middelburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 2 april 2003, reg.nr. Awb 02/361, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 augustus 2003 heeft gedaagde een afschrift overgelegd van een nader genomen beslissing op bezwaar van 7 augustus 2003.

Bij schrijven van 16 september 2003 is namens appellant gereageerd op het nadere besluit van 7 augustus 2003.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Maat voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door J.M. Aarts, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant was met ingang van 1 april 1972 werkzaam als koster te Middelburg. Tijdens dit dienstverband is een arbeidsconflict ontstaan tussen appellant en zijn werkgever, hetgeen ertoe heeft geleid dat appellant zijn werkzaamheden heeft gestaakt en zich heeft ziek gemeld. De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter te Middelburg ontbonden per 31 januari 1993. Tijdens zijn ziekte is appellant in een omvang van 15 uur per week werkzaamheden gaan verrichten in de koffiekamer van het crematorium te Middelburg. Zijn echtgenote exploiteerde op dat moment die koffiekamer.

2.2. Gedaagde heeft bij besluit van 22 maart 1993 vastgesteld dat appellant met ingang van 1 februari 1993 recht heeft op een WW-uitkering. In mei 1994 is gedaagde gebleken dat appellant de uren die hij werkzaam was in de koffiekamer van het crematorium niet aan gedaagde opgaf. Hem is toen te verstaan gegeven dat hij vanaf 16 mei 1994 elk uur dat hij aldaar werkzaam is op de werkbriefjes dient op te geven. De WW-uitkering is in verband met het bereiken van de maximale duur waarover die uitkering kon worden toegekend beŽindigd per 31 juli 1996.

2.3. Naar aanleiding van een fraudesignaal door een buitendienstrapporteur is een onderzoek verricht door de opsporingsdienst van Cadans Uitvoeringsinstelling, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het wetstechnisch rapport d.d. 5 november 1996. Op grond van deze bevindingen heeft gedaagde bij besluit van 21 oktober 1996 het recht van appellant op WW-uitkering met ingang van 1 februari 1993 beŽindigd met 17 uur per week omdat appellant in de periode van 1 februari 1993 tot en met 31 juli 1996 in die omvang werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt aangemerkt. Voorts heeft gedaagde bij dat besluit van appellant teruggevorderd een bedrag van f 41.517,67 ter zake van hetgeen over de genoemde periode ingevolge de WW onverschuldigd aan appellant was uitbetaald. Blijkens de brief van gedaagde van 21 november 1996 dient het verschuldigde bedrag te worden gelezen als f 41.571,67.

2.4. Bij bezwaarschrift d.d. 12 november 1996 heeft appellant tegen het besluit van 21 oktober 1996 bezwaar gemaakt. Blijkens een telefoonnotitie van 9 januari 1997 is besloten de behandeling van het bezwaarschrift op te schorten. Uit een telefoonnotitie van 5 maart 1997 blijkt dat op verzoek van appellant de bezwaarschriftprocedure wordt opgeschort in afwachting van de uitslag van de strafrechtelijke procedure. Bij schrijven van 11 maart 1997 is van de opschorting van die procedure aan appellant melding gemaakt, waarbij is aangegeven dat het maken van bezwaar geen schorsende werking heeft en dat de tenuitvoerlegging van de beschikking, het invorderen van het teruggevorderde bedrag, dan ook zal worden gehandhaafd. Vervolgens heeft gedaagde appellant meerdere malen gevraagd naar de stand van zaken in de strafrechtelijke procedure. Op 8 januari 1999 heeft gedaagde van een medewerker bij het arrondissementsparket Middelburg vernomen dat de strafrechtelijke procedure met een schikking was geŽindigd. Op 12 oktober 2001 heeft gedaagde aan appellant te kennen gegeven dat de bezwaarschriftprocedure wordt hervat. Tijdens de hoorzitting op 29 januari 2002 heeft appellant onder meer een beroep gedaan op de verjaring van zijn schuld jegens gedaagde. Bij uitspraak van 23 mei 2002 heeft de rechtbank Middelburg het beroep van appellant tegen de (fictieve) weigering te beslissen op het bezwaarschrift van appellant van 12 november 1996 gegrond verklaard, dat fictieve besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde binnen zes weken na die uitspraak een beslissing op bezwaar dient te nemen. Appellant heeft niet gereageerd op een hem nadien toegezonden formulier inkomens- en vermogensonderzoek.

2.5. Bij besluit van 27 juni 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 1996 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd. Voorts heeft gedaagde daarbij besloten dat de vordering van gedaagde op appellant niet is verjaard en dat de schuld van Ä 24.036,81 wordt ingevorderd in die zin dat appellant dat gehele bedrag in ťťn keer dient terug te betalen.

3. Appellant heeft tegen het besluit van 27 juni 2002 beroep ingesteld. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft gedaagde bij besluit van 27 augustus 2002 het terug te betalen bedrag gewijzigd in Ä 18.864,40. De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde de aan appellant toegekende WW-uitkering op goede gronden heeft herzien en bevoegd was om hetgeen aan appellant ingevolge de WW onverschuldigd was uitbetaald van hem terug te vorderen. Met betrekking tot de gebruikmaking van die bevoegdheid heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de duur van de bezwaarschriftprocedure aanleiding had moeten zijn voor gedaagde om de terugvordering te matigen. Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 juni 2002, voor zover gehandhaafd, alsmede het besluit van 27 augustus 2002 vernietigd, en heeft zij gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen.

4. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist en aangevoerd dat hij zijn werkzaamheden in de koffiekamer in de in geding zijnde periode niet heeft uitgebreid met 17 uur per week, zodat het besluit tot herziening en tot terugvordering op een onjuiste feitelijke grondslag berusten. Voorts heeft hij zich wederom beroepen op verjaring van de vordering van gedaagde en heeft hij subsidiair aangevoerd dat de vordering, gelet op de duur van de bezwarenprocedure, verdergaand dient te worden gematigd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Hangende het hoger beroep heeft gedaagde de nadere beslissing op bezwaar d.d. 7 augustus 2003 genomen, waarbij het teruggevorderde bedrag onder toepassing van een matiging van 10% is bepaald op Ä 16.961,76. De Raad heeft, onder toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), besloten om in het kader van het aanhangige geding tevens een oordeel te geven over het nader genomen besluit van 7 augustus 2003.

5.2. Met betrekking tot de in geding zijnde herziening van appellants WW-uitkering overweegt de Raad dat in de bevindingen van het onderzoek, als neergelegd in het wetstechnisch rapport d.d. 5 november 1996 een voldoende deugdelijke basis is gelegen voor het oordeel dat appellant zijn werkzaamheden in de koffiekamer van het crematorium in Middelburg in de in geding zijnde periode heeft uitgebreid tot het aantal door gedaagde aangenomen aantal van 17 uur per week. Naar het oordeel van de Raad is het aan die bevindingen ten grondslag gelegde onderzoek voldoende zorgvuldig verricht. Gelet op die bevindingen kan de Raad zich niet stellen achter de stelling van appellant, inhoudende dat hij in de in geding zijnde periode zijn werkzaamheden in de koffiekamer niet heeft uitgebreid. De Raad wijst erop dat appellant heeft nagelaten op de werkbriefjes melding te maken van de door hem in de koffiekamer verrichte werkzaamheden. Daarmee dient, naar uit vaste jurisprudentie van de Raad terzake volgt, appellant het risico te dragen dat, bij ontbreken van betrouwbare en verifieerbare gegevens, de omvang van de door hem feitelijk verrichte werkzaamheden door gedaagde wordt vastgesteld aan de hand van een schatting van die omvang. Appellant heeft geen concrete, eenduidige en verifieerbare gegevens in het geding gebracht die moeten leiden tot het oordeel dat de door gedaagde aangenomen omvang van appellants werkzaamheden onjuist is vastgesteld.

5.3. Aan de omstandigheid dat appellant in mei 1994 is meegedeeld, toen was gebleken dat hij van zijn werkzaamheden in de koffiekamer in het geheel geen mededeling deed op de werkbriefjes, dat hij met ingang van 16 mei 1994 van die werkzaamheden melding moest maken op die werkbriefjes, kan de Raad, anders dan appellant, niet de gevolgtrekking verbinden dat gedaagde daarbij zou hebben toegezegd dat de in de aan 16 mei 1994 voorafgaande periode aan appellant toegekende WW-uitkering niet meer zou worden herzien. Op dat moment was het gedaagde immers nog niet duidelijk dat de desbetreffende werkzaamheden in een grotere omvang werden verricht dan voorafgaande aan het intreden van appellants werkloosheid.

5.4. De rechtbank moet derhalve worden gevolgd in haar oordeel dat de herziening van appellants uitkering ingevolge de WW, inhoudende de beŽindiging van het recht met 17 uur per week met ingang van 1 februari 1993, in rechte stand kan houden.

5.5. Appellant heeft van de uitbreiding van zijn werkzaamheden geen melding gemaakt aan gedaagde. Hij heeft derhalve niet voldaan aan zijn mededelingsverplichting, zodat moet worden geoordeeld dat door zijn toedoen door gedaagde onverschuldigd uitkering ingevolge de WW aan hem is uitbetaald. De Raad oordeelt dan ook met de rechtbank dat gedaagde derhalve bevoegd was hetgeen onverschuldigd aan appellant over de periode van 1 februari 1993 tot en met 31 juli 1996 is uitbetaald, terug te vorderen.

5.6. Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat de bevoegdheid van appellant tot terugvordering over te gaan is verjaard op grond van, het door appellant hier rechtstreeks toepasselijk geachte, artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge deze bepaling verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Appellant is op grond van deze bepaling kennelijk van mening dat aan gedaagde de bevoegdheid is komen te ontvallen het bezwaar ongegrond te verklaren. De Raad overweegt in de lijn van het oordeel van de rechtbank hieromtrent dat artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek in het voorliggende geval niet toepasselijk is. Deze grief wordt derhalve door de Raad verworpen.

5.7. Met betrekking tot de gebruikmaking door gedaagde van zijn bevoegdheid tot terugvordering van het bedrag dat onverschuldigd aan appellant is betaald, overweegt de Raad voorts dat appellant met de in het nadere besluit van 7 augustus 2003 plaatsgevonden hebbende matiging van het teruggevorderde bedrag niet tekort is gedaan. Het beroep tegen dit besluit moet dan ook ongegrond worden verklaard.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2003 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, bij afwezigheid van A. de Gooijer, en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) L. Karssenberg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x