Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   WW
x
LJN:
x
AT8307
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht geoordeeld dat betrokkene niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW, wegens het niet beschikbaar zijn voor arbeid?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/2484 WW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, medewerker van Rechtshulp Noord te Leeuwarden, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 9 april 2003, onder nummer 02/683 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter zitting van 2 februari 2005 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

Aan appellante is met ingang van 1 maart 2000 een WW-uitkering toegekend naar een gemiddeld aantal arbeidsuren van 15 per week nadat zij werkloos was geworden uit een dienstbetrekking bij de Audiovisuele beroepsvereniging NBF.
Van 1 januari 1998 tot 1 augustus 2001 was appellante daarnaast voor 15 uur per week officemanager in dienst van de Vereniging ter exploitatie van vertoningsrechten op audiovisueel materiaal te Amsterdam (hierna: Vevam). Deze dienstbetrekking is per 1 augustus 2001 ontbonden door de kantonrechter. In verband met hierdoor geleden verlies van arbeidsuren heeft appellante op 13 augustus 2001 bij gedaagde een aanvraag ingediend ter verkrijging van een uitkering ingevolge de WW. Op het aanvraagformulier heeft appellante bij de vraag naar het aantal uren dat zij wil werken ingevuld: “in totaal 15 uur per week”. Tijdens een intakegesprek met een medewerker van het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) heeft appellante blijkens het daarvan opgemaakte rapport aangegeven dat zij in totaliteit maximaal 15 uur per week beschikbaar is. Als verklaring daarvoor heeft zij gesteld dat zij een alleenstaande moeder is van een jong kind en dat zij dit kind wil verzorgen.

Gedaagde heeft uit deze informatie afgeleid dat appellante voor het aantal uren waarin zij werkzaam is geweest voor Vevam niet beschikbaar is geworden voor arbeid en dat zij daarom niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW. Om die reden heeft hij bij besluit van 23 november 2001 bepaald dat appellante geen tweede recht heeft op een WW-uitkering. Gedaagde heeft dit besluit, na daartegen gemaakt bezwaar en onder vaststelling van de eerste werkloosheidsdag met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW op 1 oktober 2001, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 31 mei 2002. Gedaagde heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat appellantes stelling dat zij voor 30 uur per week beschikbaar is voor de arbeidsmarkt in tegenspraak is tot haar inschrijving voor 20 uur bij het CWI.

De rechtbank heeft appellantes beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante zich voor niet meer dan 15 uur beschikbaar hield voor arbeid.

In hoger beroep heeft appellante dit oordeel van de rechtbank bestreden, onder aanvoering van de stelling dat zij zich voor 30 uur per week beschikbaar had willen stellen en zich feitelijk ook voor meer dan 15 uur per week beschikbaar heeft gesteld, door te reflecteren op vacatures met een omvang van meer dan 15 uur.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde op grond van de duidelijke uitlatingen van appellante op het aanvraagformulier en in het intakegesprek terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante zich na de beëindiging van haar dienstbetrekking bij Vevam voor slechts 15 uur per week beschikbaar stelde voor arbeid. Appellante heeft haar stelling dat zij zich voor 30 uur beschikbaar had willen stellen en dat zij zich feitelijk ook voor meer dan 15 uur beschikbaar stelde, niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft geen brieven overgelegd waaruit blijkt dat zij heeft gesolliciteerd naar functies met een grotere arbeidsomvang dan 15 uur, noch anderszins haar stelling onderbouwd. Het feit dat appellante haar reeds lopende inschrijving bij het CWI niet heeft verhoogd naar 30 uur wijst er eveneens op dat zij zich niet in ruimere mate dan voorheen beschikbaar stelde voor arbeid. Gelet hierop heeft gedaagde terecht het standpunt ingenomen dat appellante slechts beschikbaar was voor de omvang van het haar met ingang van 1 maart 2000 toegekende WW-recht en dat zij voor de uren van haar dienstverband bij Vevam niet werkloos is geworden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WW, wegens het niet beschikbaar zijn voor arbeid.

Het bestreden besluit is derhalve terecht door de rechtbank in stand gelaten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van L. Savas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Savas.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. WW | WW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x